KNHB - Official Partners

KNHB - Official Partners
 

Het plan van aanpak voor een schoolhockeyproject


1.     Wat beogen we met de benadering van de scholen?
Wie de jeugd heeft, heeft de toekomst. Jong geleerd, oud gedaan...
Bekende gezegden, die vaak het motief vormen voor verenigingen om kinderen via de scholen te benaderen. Voordat een vereniging hiertoe overgaat, doet zij er verstandig aan zichzelf de volgende vraag te stellen:
Met welk doel willen we de scholen benaderen?
Benaderen we de scholen puur voor ledenwerving?
Of is het doel eerder kennismaking met de hockeysport, waarbij lidmaatschap nu of in de toekomst van secundair belang is?
Indien directe ledenwerving het doel is, luidt de volgende vraag:
Hebben we voldoende opvangmogelijkheden voor nieuwe leden?

2.     Hebben we voldoende opvangmogelijkheden voor nieuwe leden?
- Is er voldoende technisch en organisatorisch kader?
- Is er ruimte voor de nieuwelingen om te hockeyen?
Het zou jammer zijn wanneer kinderen eerst enthousiast geworven zijn, om vervolgens aan hun lot te worden overgelaten (met alle negatieve publiciteit van dien).
Het gaat niet alleen om jeugd werven, de kunst is des te meer om deze nieuwkomers ook te behouden!
Bezint dus eer ge begint, luidt hier het ietwat betuttelende, maar toch wel wijze gezegde!

3. Is de omgeving geschikt?
Bij het onderzoek naar omgevingsfactoren zijn 2 factoren bepalend:
a.  Hoe groot is de afstand tussen de vereniging en de te benaderen school/scholen?
Wil men het hockey als spel promoten, waarbij directe ledenwerving slechts bijzaak is, dan is de afstand tussen school en vereniging niet zo relevant. Een verenigingstrainer kan één of meer keren de school bezoeken en daarnaast kunnen de kinderen zelfs een keer op de vereniging worden uitgenodigd, indien voor collectief vervoer is gezorgd.
Ziet men het contact met de scholen echter niet zo ideëel, en worden activiteiten met name ondernomen om zieltjes te winnen, dan doet men er verstandig aan de realiteit onder ogen te zien: van scholen die ver verwijderd zijn van de vereniging zal men weinig tot geen leden krijgen. Ouders staan hun jonge kinderen meestal niet toe om een grote afstand alleen te fietsen, en zijn zelf niet altijd in de gelegenheid om hun kinderen te brengen en te halen. Dus maar geen scholenproject als de afstand te groot is?
Toch wel! Door een goede introductie van het hockey op school kunnen jonge kinderen enthousiast gemaakt worden voor later, wanneer ze met vriendjes of vriendinnetjes wél in staat zijn om een iets grotere afstand te overbruggen.
b. Hoeveel hockey- of andere sportverenigingen zijn er in de buurt? Wat voor activiteiten organiseren zij? Wat is ons voordeel t.o.v. de concurrent?
Heeft u zich wel eens gerealiseerd dat hockey één van de weinige (team)sporten is met een eigen accommodatie en clubhuis waarin kinderen:
- leren met andere kinderen om te gaan (zowel jongens als meisjes!)
- leren voor anderen te zorgen (limonade!)
- in aanraking komen met oudere leden

Waarden die men moeilijk kan realiseren in een uurtje sporten in een afgehuurde ruimte, een situatie die vele andere sporten kenmerkt. Waarden die ook op school belangrijk zijn en die men in de promotie van het hockey naar de leerkrachten toe ook duidelijk naar voren kan laten komen.

4.     Is er een gemeentelijk of provinciaal schoolsportproject?
Het merendeel van de verenigingen heeft al eens een poging ondernomen om via de scholen kinderen te interesseren voor het hockey. Dat de scholen niet altijd staan te springen om verenigingsactiviteiten te promoten, is niet zo vreemd. Zij worden dikwijls overspoeld met aanbiedingen van allerlei sportverenigingen die hun product aan de man, in dit geval het kind, willen brengen.

Om deze (verzadigings)drempel te overschrijden, is het raadzaam, liever gezegd noodzakelijk, om te informeren of schoolsport vanuit de gemeente of provincie gecoördineerd wordt. Is dit het geval, dan luidt er maar één advies: meedoen! De voordelen van deelname aan provinciale/gemeentelijke schoolsportprojecten zijn niet gering:
* de scholen zijn op deze wijze eenvoudig te bereiken;
* medewerking van de aangesloten scholen is gegarandeerd;
* de activiteiten krijgen een structureel, jaarlijks karakter;
* de verenigingen kunnen een bredere doelgroep bereiken;
* verenigingen kunnen gebruik maken van de organisatie en publiciteit die de gemeente heeft opgezet rondom bepaalde activiteiten.

Wanneer er geen gemeentelijk of provinciaal schoolsportproject bestaat, zijn er de volgende alternatieven:
1.  Onderzoek de mogelijkheden voor deelname aan, danwel het opzetten van een schoolsportraad waarin afgevaardigden van de school, de vereniging en eventueel de gemeente aanwezig zijn.
2.  Benader de scholen direct. Wil men als vereniging direct contact leggen met de scholen, dan is het raadzaam om te inventariseren of er leden binnen de vereniging zijn die al een ingang hebben bij de school. Zoals reeds eerder werd aangegeven, staan de scholen door de enorme berg promotiemateriaal wat terughoudend tegenover verenigingsinitiatieven. Persoonlijk contact met de gymleerkracht of directie kan in deze uitkomst bieden en de beoogde samenwerking positief beïnvloeden.

5. Wat gaan we doen?
Er zijn legio mogelijkheden om het hockeyspel onder de aandacht te brengen van leerlingen. Wat men ook voor ogen heeft, overleg eerst met de gymleerkracht!!! Zijn enthousiasme is voorwaarde voor het welslagen van ieder project. Uit deelnemersaantallen van vele schoolsportprojecten blijkt, dat bij de combinatie introductie op school en vervolgactiviteiten na schooltijd duidelijk meer kinderen deelnemen dan aan een kennismakingscursus die alleen na schooltijd wordt georganiseerd. Zo kan bijvoorbeeld tijdens een periode van 4 weken het hockey worden geïntroduceerd op school. Deze introductie kan worden afgesloten op de accommodatie van de vereniging met een toernooi, een kennismakingsreeks of een andere verenigingsactiviteit.
De KNHB heeft een lessenreeks ontwikkeld en uitgetest op verschillende scholen voor basis- en voortgezet onderwijs. Hiermee kunnen de leerkrachten ondersteund worden in hun lessen. Voor vakleerkrachten met een hockey-achtergrond zal dit niet nodig zijn, maar voor leerkrachten die weinig affiniteit hebben met het hockeyspelletje, zal een dergelijk programma een welkome handreiking zijn. Natuurlijk is het niet een alleen zaligmakend programma; de lessen dienen altijd te worden afgestemd op de specifieke doelgroep. Daar het programma echter in verschillende delen van het land, bij verschillende groepen, door verschillende leraren getest is, menen wij dat iedere leerkracht, met toevoeging van de broodnodige eigen variatie, er iets mee kan!

De vereniging kan voorstellen om bij het lesprogramma een trainer te leveren. In overleg kan deze trainer de les geven (gastdocent), waarbij de leerkracht ondersteunt, of precies andersom. Een andere mogelijkheid is dat de gastdocent en de leerkracht ieder de helft van het aantal lessen geven. Na introductie van het hockey op school kan men de leerlingen de mogelijkheid bieden om het hockeyen voort te zetten na schooltijd via één of meer vervolgactiviteiten. Hierbij geldt: wat je ook organiseert, laat het een structureel karakter hebben en koppel het aan de introductielessen op school.

Een aantal van die vervolgactiviteiten zijn:
* kennismakingstrainingen
* schooltoernooien;
* schoolcompetities (woensdagmiddagcompetities);
* bezoek aan (top)wedstrijden;
* trainingen of clinics door topspelers.

Voor de organisatie van deze activiteiten verwijzen wij naar de KNHB-brochure Praktijkvoorbeelen ledenwerving/ledenbehoud een brochure die ook deel uit maakt van het scholenpakket.     Bij al deze vervolgactiviteiten is het tevens zinvol om kennis over te dragen over het functioneren van een hockeyvereniging. Door de activiteiten op een moment te plannen, dat de vereniging leeft, zien de kinderen en hun ouders ook hoe het er normaal bij de vereniging aan toe gaat.

6. Wie willen we benaderen?
Allereerst: welke leeftijd?
Als reactie op andere sportverenigingen, die kinderen al op zeer jonge leeftijd proberen te lokken, zou het logisch zijn dat ook de hockeyclub de leerlingen zo vroeg mogelijk benadert. De KNHB gaat er echter van uit dat kinderen vooral plezier moeten beleven aan de sport die zij beoefenen, en vindt het pas verantwoord en zinvol om een lessenreeks aan te bieden voor leerlingen vanaf groep 5. Dit op grond van:
a. sociaal/pedagogische overwegingen: op zeer jonge leeftijd is het kind nog egocentrisch gericht en zal zich moeilijk kunnen uiten in een teamsport;
b. technische motieven: hockey is technisch gezien niet de gemakkelijkste sport! De leeftijd van leerlingen uit groep 5 t/m 8 komt tevens overeen met de ideale leerleeftijd, nl. die tussen 8 en 12 jaar. Deze groep is in staat zich een spel c.q. de basisvaardigheden van een sport snel eigen te maken. In het voortgezet onderwijs benaderen we in eerste instantie de leerlingen uit de onderbouw (klas 1 en 2)
De hogere klassen in het voortgezet onderwijs kan men door een iets andere benadering ook proberen te interesseren. Een benadering die appelleert aan het sociale aspect van teamsport en aan een sterker ontwikkeld verantwoordelijkheidsgevoel. De lesbrief in het lessenpakket is hier een voorbeeld van.

Dan: welke kinderen willen we benaderen?
Alle leerlingen? Leerlingen uit de buurt? Leerlingen waarvan de ouders ook een sportachtergrond hebben? Wanneer we alle leerlingen willen bereiken, moet de drempel tot deelname zo laag mogelijk zijn. Dat betekent dus heel simpel: lessen op school!!! Deelname aan vervolgactiviteiten op de vereniging staat of valt met het enthousiasme van de scholen. Wanneer informatie alleen maar wordt opgehangen, melden zich slechts de reeds geïnteresseerden aan, die bovendien toestemming krijgen van hun ouders. Een enthousiaste groeps- of vakleerkracht is in staat om de leerlingen te motiveren en ook de ouders te overtuigen van het nut (en plezier!) dat hun kinderen aan deze activiteiten kunnen beleven.

Secundaire doelgroep: de ouders
Als secundaire doelgroep wordt de groep mensen beschouwd die onmisbaar zijn bij de de opvang van de jeugd in de vereniging: de ouders. Vaak vinden zij het leuk om het spel van hun eigen kinderen te leren, en doen dit via het inmiddels ingeburgerde trimhockey. Trimhockeyers dus als secundaire doelgroep?!

7.     Wie zijn bij het programma betrokken?
Vanuit de drie instanties: school, vereniging en gemeente zijn diverse personen bij het schoolsportproject betrokken. Daarnaast is er nog een belangrijke groep betrokkenen die niet specifiek tot één van die instanties behoort, nl. de ouders. Een goed samenwerkingwerkingsverband tussen alle betrokkenen is noodzakelijk om wensen en behoeften op elkaar af te stemmen en tevens om inzet en betrokkenheid te kweken.

De school
De schooldirectie
De schooldirecties zijn belangrijk m.b.t. het verlenen van toestemming voor het meedoen aan de schoolhockeyactiviteiten na schooltijd en voor het eventueel vrijmaken van een sportbudget. Naar de ouders toe spelen zij een belangrijke rol in het benadrukken van het nut van sporten voor hun kind.

Leerkrachten

De inzet van de leerkrachten is onontbeerlijk bij de organisatie van schoolhockeyactiviteiten. Bij elke activiteit, tijdens en na schooltijd, is goede begeleiding en stimulatie van de kinderen noodzakelijk. Kinderen zullen eerder meedoen aan een verenigingsactiviteit wanneer de leerkracht hen hiertoe aanzet en, beter nog, met ze meegaat.

Ook heeft de leerkracht contact met de ouders die hij kan proberen te mobiliseren voor de begeleiding bij activiteiten buiten schooltijd. Binnen deze categorie van leerkrachten maken we een onderscheid in de vakleerkracht en de groepsleerkracht. Groepsleerkrachten in het basisonderwijs zijn niet specifiek opgeleid voor het doceren van lichamelijke opvoeding. Daarom staan zij vaak positief tegenover deskundige verenigingsmensen, waarvan niet alleen de leerlingen, maar ook zij zelf iets kunnen leren. Het feit echter, dat zij naast hun gewone werktaak ook gymles moeten geven, zegt iets over de werkdruk van deze groepsleerkrachten. Ze hebben vaak overvolle agendas en zijn hierdoor erg moeilijk inzetbaar. Zorg dus dat de tijdrovende klussen niet bij hen komen te liggen; neem de groepsleerkrachten juist het werk uit handen. Hun specifieke taak ligt in het stimuleren van de leerlingen en het afstemmen van het programma op de groep. Zij kennen de kinderen en kunnen daardoor zeer goed inspelen op de specifieke situatie van iedere klas en ieder kind; zij kunnen - met een trendy term - zorgen voor maatwerk.
Bij vakleerkrachten geldt een iets ander verhaal. Door hun specifieke deskundigheid op het gebied van de lichamelijke opvoeding zien zij de verenigingstrainer, die op school wil komen lesgeven, soms wel eens als een concurrent. Ook werkt de vakleerkracht met een eigen jaar-lesplan, dat door te vele verenigingsinitiatieven kan worden verstoord. Een goede afstemming in onderling overleg is dus noodzakelijk.

De leerlingen
Leerlingen die voor het eerst aan hockeyactiviteiten deelnemen, willen ervaren wat het eigene van de sport is en wat deze sport te bieden heeft. Op voorhand staat niet vast dat ze zich voor langere tijd aan het hockey willen binden. Of kinderen een sport waarmee ze kennismaken blijven beoefenen, hangt in belangrijke mate af van de wijze waarop de kennismaking plaats vindt en vooral van het optreden van de begeleiders. Passen zij een benaderingswijze toe die niet past bij de belangstellingssfeer van de betreffende leerlingen, dan zal de introductie weinig succesvol zijn. Jongere kinderen hechten veel waarde aan het zich uitleven, het bezig zijn. Zij moeten hun energie kwijt kunnen. Leerlingen in de onderbouw van het voortgezet onderwijs hechten naast het zich uitleven ook veel waarde aan het samenzijn met leeftijdsgenoten. Datzelfde geldt voor leerlingen uit de bovenbouw; ook voor hen is het sociale aspect van teamsport belangrijk. Daarnaast willen zij graag meer verantwoordelijkheid nemen (en krijgen!) voor hun doen en laten. Helaas wordt jongeren in de vereniging niet altijd de mogelijkheid geboden om hun groeiend verantwoordelijkheidsgevoel uit te testen. Hoe kan men hier beter op inspelen?
In de training kan men meer een beroep doen op het zelf bedenken van oplossingen i.p.v. het altijd maar aandragen daarvan. Tijdens kennismakingsactiviteiten kan de vereniging aangeven wat zij nog meer te bieden heeft buiten het actieve sporten, b.v.:
- helpen bij de begeleiding/training van de jongste jeugd;
- lid worden van een commmissie;
- deel uitmaken van het jeugdbestuur;
- lid worden van de redactie van het clubblad.

Geef dit soort mogelijkheden dus ook aan bij een naschoolse verenigingsactiviteit voor leerlingen uit de bovenbouw!

De vereniging
Het bestuur
Net als de directie op school is het bestuur binnen de vereniging verantwoordelijk voor een juiste besteding van het aanwezige budget. Het is het orgaan dat al dan niet toestemming verleent aan schoolhockeyacitiviteiten. Niet alleen uit oogpunt van beslissingsbevoegdheid is het inlichten van het bestuur noodzakelijk; ook terwille van de betrokkenheid dient het op de hoogte te zijn. Wil men schoolhockeyactiviteiten een structureel karakter geven, dan dient hiervoor draagvlak gecreëerd te worden binnen de vereniging. Bestuur en leden moeten dus van de activiteiten op de hoogte zijn.

De trainer
Wanneer een verenigingstrainer optreedt als gastdocent op school, is het belangrijk dat hij affiniteit heeft met het onderwijs. In een verenigingssituatie is de sport doel op zich, terwijl gymmen op school ook een pedagogisch doel dient. De trainer heeft dus naar de leerlingen toe een pedagogische taak. Concreet betekent dit:

- dat alle kinderen moeten kunnen meedoen;
- dat de activiteiten moeten bijdragen tot zelfstandig handelen;
- dat de activiteiten moeten bijdragen aan de fysieke ontwikkeling;
- dat de activiteiten moeten bijdragen aan de sociale ontwikkeling en integratie van jongeren.

Veel verenigingen hebben in hun ledenbestand mensen die een sportopleiding (ALO/Akte J) hebben gevolgd of onderwijsbevoegdheid hebben. Dit zijn de geschikte personen om enkele gymnastieklessen te verzorgen. Belangrijk hierbij is een juiste afstemming van ideeën over de wijze van lesgeven tussen de gastdocent en de leerkracht, die uiteindelijk verantwoordelijk is voor datgene wat er tijdens de gymnastiekles gebeurt en derhalve ook altijd aanwezig moet zijn. In het geval dat men geen leden kan vinden met de vereiste diplomas, is het wellicht mogelijk dat de leerkracht in overleg met enkele trainers van de vereniging de lessen voorbereidt en de trainers de leerkrachten helpen bij het geven van de lessen.

Duidelijk zal zijn dat de persoon die voor de groep staat een project kan maken of breken. Naast de hockeytechnische kennis en pedagogische kwaliteiten is de persoonlijkheid natuurlijk erg belangrijk. Is er geen kwalitatief goed kader, dan is het verstandiger daar eerst aan te werken voordat een vereniging schoolhockeyactiviteiten ontplooit. Beter een latere kennismaking dan een slechte kennismaking!

De contactpersoon
De contactpersoon binnen de vereniging is van essentieel belang voor een goed organisatorisch verloop van alle schoolhockeyactiviteiten. Hij moet zorgen voor:
-  de contacten met de scholen (incl. de afspraken omtrent promotie);
-  het creëren van draagvlak binnen de vereniging. Dit kan b.v. door het schrijven van stukjes in het clubblad en door verslag te doen van de activiteiten binnen bestuurs- en ledenvergadering;
-  de benadering van geschikte mensen die kunnen optreden als trainer, als gastdocent op school of als hulptrainer (om de kinderen meer individuele aandacht te kunnen geven);
-  de opvang van ouders tijdens de verengingsactiviteiten.

De gemeente
Wanneer schoolsportprojecten gecoördineerd worden vanuit een gemeentelijke of provinciale sportraad, betekent dit dat zowel de school als de vereniging van een aantal taken wordt bevrijd. De schoolsportcoördinator binnen een gemeentelijke of provinciale sportraad zorgt meestal voor:
- de afstemming van vraag en aanbod tussen scholen en sportverenigingen;
- de planning van activiteiten;
- de communicatie tussen de partners;
- de promotie/publiciteit;
- de continuïteit.

Het is geen reële gedachte dat de samenwerking tussen de drie partners gemeente/school/vereniging gebaseerd moet zijn op een even grote inbreng en inzet van alle drie. Met name de scholen doen alleen mee als hun inbreng en inzet gering kunnen blijven.

De ouders
Een groep die we niet specifiek onder een bepaalde categorie kunnen plaatsen, maar die wel van essentieel belang is, is de ouders. Het betrekken van de ouders bij de schoolhockeyprojecten zou de effectiviteit en de efficiëntie van deze projecten aanzienlijk kunnen verhogen. Kinderen moeten toestemming krijgen van hun ouders om deel te nemen aan naschoolse activiteiten. Omdat ouders het nut en belang van sporten/bewegen niet altijd inzien, krijgen ze dat niet altijd.
Het is dus belangrijk dat de ouders actief (via de leerkrachten) benaderd worden en dat ze weten dat hun kinderen goed worden opgevangen tijdens de naschoolse activiteiten.

Het actief betrekken van de ouders bij naschoolse activiteiten is belangrijk indien men tot een goede verstandhouding wenst te komen. Een goede relatie vormt de basis voor betrokkenheid, steun en inzet, nu en in de toekomst (wanneer hun kind mogelijk lid is geworden van de vereniging).

8. Wanneer plannen we de activiteiten?
a. Periode in het jaar
De activiteiten op de scholen dienen in overleg met de (vak)leerkracht gepland te worden. Het KNHB-lesprogramma is voor de gymzaal gemaakt, en kan dus het hele jaar door worden uitgevoerd. De vervolgactiviteiten plant men idealiter, zoals het woord al doet vermoeden, direct volgend op het lesprogramma.
b. Tijdens of na schooltijd
Zoals al eerder opgemerkt bereikt men met naschoolse activiteiten niet alle leerlingen: slechts diegenen die reeds geïnteresseerd zijn en toestemming krijgen van hun ouders zullen komen. Een combinatie dus van lessen op school en activiteiten op de vereniging is het meest effectief.

9. Wat zijn de kosten?
De kosten voor de accommodatie kunnen laag gehouden worden: men maakt óf gebruik van de gymzaal van de school óf van het (kunstgras)veld van de vereniging.
Wel zal men een budget moeten opstellen voor:
-  promotie en publiciteit (folders, uitnodigingsbrieven, etc.);
-  de trainer;
-  een herinnering voor de leerlingen;
-  een consumptie voor de kinderen en hun ouder(s); en eventueel voor:
-  de contactpersoon;
-  de hulptrainers;
-  de aanschaf van hockeymateriaal;
-  het collectief vervoer van de leerlingen.

Mogelijk verleent de gemeente subsidie voor schoolsportactiviteiten. Hiervan is in ieder geval sprake indien de coördinatie van een schoolsportproject bij de gemeentelijke of provinciale sportraad ligt. Wanneer het gebrek aan subsidie dit noodzakelijk maakt, kan een bijdrage van de leerlingen of scholen voor herhaalde verenigingsactiviteiten overwogen worden. Dit is niet per definitie ineffectief: deelname aan de activiteiten wordt hierdoor meer gegarandeerd. Het spreekt natuurlijk voor zich dat het bedrag niet zo hoog mag zijn, dat daarmee een drempel voor deelname wordt opgeworpen.

10.        Wat levert het scholenproject ons op?
Terecht hoort men verenigingsmensen wel eens zuchten: Waar doen we het eigenlijk allemaal voor; uiteindelijk leveren al onze inspanningen 2 tot 3 nieuwe leden op. Een begrijpelijke reactie, maar ook een wat kortzichtige. Immers, een gedegen introductie van het hockey op school, gevolgd door een aantal goed georganiseerde verenigingsactiviteiten, zorgt in ieder geval voor promotie van de hockeysport in brede zin. Wellicht levert dat niet direct nieuwe leden op, maar in de toekomst kan dit wel het geval zijn, wanneer jongeren toevallig of minder toevallig (via vrienden, schooltoernooien, studie of werk) weer in aanraking komen met het hockey. Wanneer zij op dat moment kunnen terugkijken op een goede introductie op school en eventueel in de vereniging, is lidmaatschap veel waarschijnlijker dan dat ze nooit gehockeyd hebben of hier negatieve herinneringen aan hebben overgehouden. Een positieve kennismaking met het hockey vormt de beste basis voor een eventueel later lidmaatschap!

11.        Hoe verzorgen we de promotie?
Binnen gezamenlijke schoolsportprojecten ligt de promotie meestal bij de gemeentelijke schoolsportcoördinator. Er wordt dikwijls een brochure uitgegeven, met daarin opgenomen alle schoolsportactiviteiten voor het komende seizoen. De vereniging dient in dit geval te zorgen voor:
-  de informatie die moet worden gecommuniceerd: de activiteiten die plaatsvinden, op welke data, waar, hoe luiden de regels, wanneer zijn er eventueel voorlichtingsbijeenkomsten voor de ouders, zijn de ouders welkom op de activiteiten, etc.
-  de communicatie naar de leden toe: binnen verenigingen kan via het clubblad en de ledenvergadering bekend worden gemaakt welke activiteiten naar de scholen toe georganiseerd worden. Een tekort aan informatievoorziening binnen de vereniging zou mede een reden kunnen zijn voor het gebrek aan kader tijdens schoolhockeyactiviteiten.
Het zou effectief en efficiënt zijn wanneer de scholen de promotie van de projecten naar de leerlingen en hun ouders toe verzorgen. De meeste scholen hebben daar een medium voor (b.v. de schoolkrant). Wat de scholen nogal eens ontbreekt, is de benodigde informatie die moet worden verstrekt. De vereniging dient dan ook de scholen van de eerder genoemde informatie te voorzien, zodat zij op eenvoudige wijze de leerlingen en hun ouders optimaal kunnen informeren. De leerkracht is dus de belangrijkste stimulator van de verenigingsactiviteiten. Willen we naast deze mondelinge publiciteit ook nog een aparte folder maken voor de leerlingen, zorg dan:
-  voor volledige en duidelijke informatie (voor wie, waar, hoe laat, kosten, wat meenemen, contactpersoon);
-  dat de tekst goed te begrijpen is (eenvoudig taalgebruik);
-  dat motieven gebruikt worden die kinderen aanspreken (niet: gezondheid; wel: gezelligheid, uitleven, iets presteren);
-  dat deze folders via de gym- of groepsleerkracht worden uitgedeeld (hij kan nog wat extra informatie geven en de leerlingen stimuleren).  
Tijdstip waarop men de activiteiten promoot
Het zal duidelijk zijn dat in een periode, dat meer verenigingen de schoolsportmarkt betreden, er problemen kunnen ontstaan. Enerzijds worden de leerkrachten en kinderen te vaak afgeleid van het normale werk, anderzijds gaat door de hoeveelheid het effect van de publiciteitscampagne verloren. Overleg over de wijze en het tijdstip waarop de activiteit gepromoot kan worden, is dan ook noodzakelijk. Het neerleggen van een aantal folders met een briefje a.u.b. vandaag uitdelen is voor de vereniging wellicht de meest eenvoudige manier om iets onder de aandacht te brengen. Maar zo werkt het dus meestal niet! Rekening houden met elkaars programma is een minimale vereiste; evenals verenigingen hebben ook scholen drukke en minder drukke perioden.

12.        Welk materiaal hebben we nodig?

Goed materiaal is essentieel voor een geslaagde kennismaking. In veel gymzalen is het benodigde materiaal (sticks en ballen) niet aanwezig. Verenigingen kunnen hierin de scholen mogelijk ondersteunen, b.v. via een materiaalsponsor. Mocht u er zelf niet uitkomen, dan kunt u voor materiaal ook contact opnemen met de KNHB. Zij heeft een (beperkt) aantal sticks in bruikleen.

Wat is eigenlijk goed materiaal?
Gewoon hockey speelt men ook met gewone sticks: houten sticks met een platte en een bolle kant. Met sticks van ander materiaal of met een andere vorm kan je veel, behalve hockeyen. Wij raden dan ook aan om in het basisonderwijs te spelen met 35-inch sticks en in het voortgezet onderwijs met een iets zwaardere stick, nl. 36-inch. Mocht de leerkracht bezwaren maken vanwege de zaal (overigens onterecht, het is een gymzaal, geen klaslokaal!), dan kan tape of een sok om de stick uitkomst bieden. De laatste oplossing zal zeker hilariteit opleveren, maar het karakter van het spel wordt hierbij - in tegenstelling tot bij plastic sticks - geen geweld aangedaan. Wat betreft de ballen kan men voor de jongsten de keuze maken om te spelen met lichtere mini-hockeyballen, zeker wanneer er in de gymzaal op blote voeten wordt gegymd!

13. Is iedereen verzekerd?
Voor activiteiten op school geldt dat de leerlingen en leerkrachten via de school verzekerd zijn. De gasttrainer op school dient zichzelf te verzekeren! Activiteiten op de vereniging binnen schooltijd vallen ook onder de schoolverzekering, mits een leerkracht aanwezig is en toestemming door de directie is verleend. Het verdient aanbeveling om na te vragen welke specifieke regels de school hierover heeft opgesteld. Voor activiteiten op de vereniging buiten schooltijd kan worden teruggevallen op de WA-verzekering van alle betrokkenen. De vereniging doet er goed aan bij haar eigen verzekering te achterhalen of zij ook verzekerd is tegen calamiteiten, waarbij leiding of bestuur aansprakelijk wordt gesteld.

14.           Schoolsportactiviteiten: eenmalig of structureel?
Een schoolhockeyproject heeft alleen zin indien er een structureel karakter aan wordt gegeven. Continuïteit is één van de belangrijkste succesfactoren van schoolsportprojecten. Voor de vereniging, omdat zij het project intern als beleid geaccepteerd moet zien te krijgen. Daarnaast om een kaderbestand op te bouwen, dat de projecten op goede wijze kan organiseren en uitvoeren. Ook voor de scholen en leerlingen is continuïteit belangrijk. Iedereen weet dan wat er komt en kan zich daarop instellen. De scholen kunnen de activiteiten opnemen in het schoolwerkplan en er mogelijk andere projecten aan koppelen (zoals gezondheid of fair-play). Indien het project door de gemeente gecoördineerd wordt, pleit ook zij voor continuïteit, omdat pas na enige jaren een programma en routine ontstaan die de aanvankelijke belasting reduceren.

15.        Hoe en met wie evalueren we het project?
Om te kunnen controleren of de introductie- en kennismakingsactiviteiten op school en in de vereniging effect hebben gesorteerd en om te weten hoe ze door de kinderen en leerkrachten zijn ervaren, dient er geëvalueerd te worden. Tijdens de rit is het belangrijk dat de verenigingscontactpersoon en de leerkracht regelmatig elkaar op de hoogte houden over het wel, maar ook over het wee van de leerlingen tijdens de activiteiten. Voor een jaarlijkse, totale projectevaluatie is het gewenst om in gezamenlijk overleg te evalueren. Dit betekent dus een overleg tussen afgevaardigden van de drie betrokken instanties: gemeente, school en vereniging.

De evaluatie kan worden opgesplitst in:
1.        Procesevaluatie: verliep het project naar ieders zin?
2.        Productevaluatie: zijn de vooraf opgestelde doelen behaald?
Op basis van deze evaluatie dient een verbeterd plan opgezet te worden voor het volgende jaar. Dikwijls veranderen schoolsportprojecten na de eerste opzet niet meer van vorm. Dit komt deels doordat het wel loopt, maar ook omdat kennis ontbreekt over hoe het anders zou kunnen. Een kritische evaluatie en een open oog voor nieuwe ontwikkelingen voorkomt dat de kinderen uitgekeken raken en zorgt dat ze ook in de toekomst kunnen blijven genieten van de vele hockeyactiviteiten!

16. Hoe kunnen we een project laten mislukken?
Een aantal faalfactoren op een rijtje:
- er is geen of een slecht functionerende coördinator;
- de doelstellingen van het project zijn niet duidelijk;
- de verenigingsactiviteiten sluiten niet aan bij de lessen op school;
- de communicatie tussen de partners verloopt slecht;
- er zit geen continuïteit in het project;
- de kwaliteit van het kader laat te wensen over;
- de plaats van uitvoering is ongeschikt;
- de keuze van de doelgroep is onjuist;
- de activiteiten worden te weinig gepromoot;
- de informatie over de activiteiten is onduidelijk;
- de ouders worden onvoldoende geïnformeerd en opgevangen op de vereniging;
- er is een gebrek aan informatie over de vereniging;
- er vindt geen evaluatie plaats;
- het project wordt niet bijgesteld op grond van evaluatie-gegevens.

Na het lezen van deze handleiding kunnen we ons echter nauwelijks voorstelen dat uw vereniging dit overkomt!

17.           Kenningsmakings- activiteiten
Als een vervolg op de lessen op school is het leuk en zinvol om de kinderen op de vereniging uit te nodigen voor een open dag, een toernooi of een aantal trainingen.
Meer informatie over dergelijke kennismakingsactiviteiten en oefenstof vindt u in de KNHB-brochure Ledenwerving/ ledenbehoud die ook deel uitmaakt van het scholenpakket. Hieronder treft u nog wat tips en voorbeelden aan m.b.t. kennismakingsactiviteiten.
Kennismakingstrainingen
Voor de organisatie van kennismakingstrainingen geldt het volgende:
-  deze trainingen hebben op den duur alleen zin, indien ze gekoppeld worden aan de hockey-activiteiten op school;
-  de relatie met de leerkracht lichamelijke opvoeding is hierin dus belangrijk;
-  organiseer de kennismakingstrainingen op een vaste periode in het jaar, m.a.w. geef ze een continu karakter;
-  biedt de trainingen aan gemeentelijke of provinciale sportraden aan, die het schoolsportaanbod in de gemeente/provincie coördineren;
-  laat de trainingen plaatsvinden op een tijdstip, waarop de vereniging leeft;
-  instrueer de trainers: schoolgroepen zijn anders dan verenigingsteams;
-  de nieuwe kinderen kunnen gekoppeld worden aan jeugdleden;
-  zorg ervoor dat de ouders en leerkrachten via een praatje worden opgevangen;
-  sluit de serie trainingen op leuke wijze af: voor de jongere kinderen b.v. met een diploma, voor de oudere jeugd met een feest met de bestaande jeugdleden.

Opmerkingen t.a.v. de inhoud van de kennismakingstrainingen:
-  houdt het simpel!
-  zorg dat de kinderen het gevoel hebben SUCCESVOL te zijn; dit kan bereikt worden door de oefeningen te laten uitmonden in een scoringspoging op doel (dus b.v. pushen op doel i.p.v. naar elkaar toe);
-  het accent ligt dus meer op SUCCESBELEVING dan op techniek;
-  om het scoren te vergemakkelijken kan het doel rondom de strafbalstip worden gezet;
-  geef ook ruime aandacht aan het sociale aspect van hockey (team/verenigingsgebeuren). Dit sluit goed aan bij de meervoudige bekwaamheidsgedachte van het onderwijs: opvoeding op motorisch, cognitief maar ook emotioneel en sociaal gebied 

Kennismakingstraining/toernooi voor de leerkrachten
Vele sportverenigingen organiseren kennismakingsactiviteiten voor de jeugd. Wat we maar weinig zien, zijn kennismakingsactiviteiten voor leerkrachten: een of meer gezellige bijeenkomsten waarin de leerkrachten worden uitgenodigd om:
-  uitleg te krijgen over de technieken en spelregels;
-  technieken te oefenen;
-  een wedstrijd of toernooi te spelen (6:6);
-  kennis te maken met de verenigingsaccommodatie;
-  het scholenpakket in ontvangst te nemen.

Dat leerkrachten een belangrijke doelgroep vormen zal voor een ieder duidelijk zijn: hun enthousiasme en kennis zijn voorwaarde voor een goede overdracht van het hockeyspelletje op de kinderen!

Toernooien voor de leerlingen
Na een reeks hockeylessen op school is het leuk voor de leerlingen en uit promotioneel oogpunt handig voor de verenigingen om een scholentoernooi te organiseren.

Waar moet men zoal aan denken, bij de organisatie van een dergelijk toernooi?
Voor tips omtrent de doelgroep, accommodatie, personele bezetting e.d. verwijzen we naar de brochure Praktijkvorbeelden ledenwerving/ledenbehoud.

18.        Check-it-out: checklist voor de schoolgaande vereniging
Om een schoolhockeyproject optimaal te laten verlopen, moet bij de voorbereiding aan alles worden gedacht. De voorbereiding bepaalt voor 90% het wel of niet slagen van de activiteit. Aan de hand van een aantal hoofditems kan iedere vereniging een draaiboek maken, met daarin opgenomen:
Doelstelling
Wat willen we precies bereiken?  
* Is exact omschreven wat we willen bereiken?
* Is de doelstelling voor iedereen duidelijk?

Doelgroep
Op welke kinderen (leeftijd) richten wij ons?  
* Voor wie willen we activiteiten organiseren:
- leeftijd;
- school;
- meisjes/jongens?
* Hoeveel kinderen in de betreffende leeftijd zitten op die school?
* Hoeveel deelnemers verwachten we minimaal en maximaal?  

Activiteitenkeuze
Wat gaan we precies doen?
*          Is de activiteit concreet ingevuld?
*          Voldoet de activiteit aan de doelstelling?
*          Komt de activiteit tegemoet aan de wensen en behoeften van de doelgroep?
*          Sluit de verenigingsactiviteit aan op de lessenreeks?
*          Is de activiteit te realiseren in de bestaande accommodatie?
*          Is de activiteit te realiseren met de beschikbare financiën?
*          Is de activiteit te realiseren met de aanwezige materialen?
*          Is de activiteit te realiseren met de aanwezige vrijwilligers?

Begroting
Welke inkomsten en uitgaven verwachten wij?  
* Is een overzicht van te verwachten inkomsten en uitgaven gemaakt?
* Is de begroting sluitend?
* Is de eventuele deelnemersbijdrage bepaald?
* Hoe is de inning van deze bijdragen geregeld?  

Medewerkers en taakverdeling
Wie doet wat wanneer?
*          Is een overzicht gemaakt van taken die verricht moeten worden:
a. tijdens de voorbereiding;
b. tijdens de activiteit zelf?
*          Is gezorgd voor een overzicht van mogelijke vrijwilligers en professionals?
*          Zijn goede afspraken gemaakt omtrent de promotie?
*          Heeft iedere medewerker de juiste instructie gekregen over zijn taak?  

Tijdsplanning
Wanneer moet wat gebeuren?
*          Is er een overzicht gemaakt van andere (sport)activiteiten die op die dag of in die periode georganiseerd worden?
*          Is er voldoende tijd om de activiteit voor te bereiden?
*          Is een schema gemaakt van de nodige bijeenkomsten, ter voorbereiding en evaluatie van de activiteit?
*          Is een tijdsplanning gemaakt voor de dag(en) waarop de activiteit plaatsvindt?
*          Zijn alle betrokkenen geïnformeerd over de gemaakte tijdsplanning?  

Accommodatie
Waar wordt de activiteit gehouden?
*          Is de accommodatie besproken?
*          Zijn goede afspraken met het beheer of bestuur gemaakt over:
- eventuele huurprijs;
- opening en sluiting;
- opbouwen en opruimen van materialen;
- gebruik van materialen;
- douche- en kleedgelegenheid;
- mogelijke verstrekking van een drankje/versnapering?

Materialen
Welke materiaal hebben wij nodig? 
*          Is er een overzicht gemaakt van de benodigde materialen?
*          Zijn alle materialen aanwezig of geregeld?
*          Wie zorgt voor het ophalen/terugbrengen van materialen?  

Publiciteit
Hoe brengen wij de activiteiten onder de aandacht?
* Van welke mogelijke communicatiemiddelen in uw plaats/wijk kan gebruik worden gemaakt:
- persoonlijke gesprekken (vooral die met de leerkracht!!);
- schoolkrant;
- verenigingskrant;
- folders;
- affiches;
- raambiljetten;
- plaatselijke krant/huis aan huisbladen.
* Staat alle nuttige informatie vermeld (wat, waar, wanneer, wie, waarom)?
* Is de boodschap duidelijk en attractief voor de kinderen?  

Verzorging
Wat bieden wij de medewerkers en deelnemers aan?
* Is gezorgd voor frisdrank/versnapering voor deelnemers?
* Is gezorgd voor frisdrank/versnapering voor vrijwilligers?
* Wie regelt de verzorging?
* Is EHBO aanwezig?  

Evaluatie
Hoe komen we de volgende keer tot een nog beter project? Met betrekking tot het proces:
* Hoe beoordeelden de leerlingen, de leerkrachten en de trainers de activiteiten?
* Hoe beoordeelde de contactpersoon de activiteiten en de communicatie?

Met betrekking tot het product:
* Zijn onze doelstellingen bereikt?

De KNHB hoopt van harte dat dit het geval is, en dat haar ondersteuning hiertoe heeft kunnen bijdragen!

Geraadpleegde bronnen:
Scholier en sport in deelgemeente Delfshaven      Dienst Recreatie Rotterdam    Rotterdam, juli 1996
Onderzoek naar succes- en faalfactoren in schoolsport    Conclusies en aanbevelingen Jeugd in Beweging, 1996
Verenigingsmanagement Cursusboek   Kennis maken met sport voor kinderen     NOC*NSF, 1994