Van marktkraampje tot promodorp
N RONDJE WAGENER STADION
Na de World Cup Hockey in Utrecht verzuchtte Cees Bovelander in één van zijn columns voor Hockey Magazine dat hij een beetje heimwee had naar de tijd dat de haringkar in het Wagener Stadion de grootste attractie vormde naast de wedstrijden. Mooie nostalgie. In deze kleine historie van het Wagener Stadion ruim baan voor dat verlangen naar toen.
Tekst: Cees Bovelander
Tot een afstand van zeventig meter is de kruiwagen verplicht,
daarboven kan de kip kar worden gebruikt, eventueel met de loc
ervoor. Het is 1934, de wereld is in crisis, Amsterdam telt meer
dan 100.000 langdurig werkelozen. In de Rietwijkeroorderpolder is,
meer dan drie meter onder NAP, het Boschplan van start gegaan. Een
werkverschaffingsproject van de gemeente Amsterdam, de Dienst
Uitvoering Werken regelt alle zaken. DUW-arbeider is de naam van de
man met de schop.

Werk langs de Bosbaan m.b.v. spoor en kipkarren
Het is zwaar werk voor de ongeoefende handen, de verdiensten een hongerloon. In het oostelijk deel van de polder waar kort daarvoor zwartbont vee graasde, komen de hockeyvelden en het stadion, een eindje verderop wordt de Bosbaan uitgegraven.
Dat op de plek waar wordt geschaft een halve eeuw later in een promodorp de hamburgers met uitjes over de toonbank gaan en een haringkarretje zijn eigen plekje heeft gevonden, is dan gelukkig nog in de toekomst verborgen.
Het is september 1938. Een driewerf hoera rolt over het nog kale
complex. Vanaf de tribune kan je in de verte Schiphol zien liggen.
Zo nu en dan is het vriendelijke gebrom van een landende of
opstijgende vliegmachine te horen.Voorzitter Joop Wagener jr. houdt
een gloedvolle toespraak, de vlag van de Amsterdamse Hockey en
Bandy Club wordt gehesen. Het nieuwe hockeycomplex is
geopend.

September 1938: opening van het Wagener Stadion
s Avonds is er een diner in de Groote Club in de
Kalverstraat. Er zijn Bondsbestuurders uitgenodigd. Er worden
cadeaus aangeboden, een stoffeering door de Damesleden, een
barometer in blik door de Deventer Hockeyclub. De oud-voorzitter
overhandigt een belangrijk bedrag voor de aanschaf van een
stadionklok.
De dan bijna zeventigjarige voorzitter Joop Wagener jr. is de
bevlogen leider van de vereniging, oud-aanvoerder van het eerste
elftal, vanaf 1918 voorzitter, erelid.
Truid Terwindt, de bekende hockey- en tennis international zegt
in het gedenkboek, Amsterdam 100 jaar, over Wagener: Ik bewaar heel
goede herinneringen aan de gouden oom Joop Wagener. Altijd was hij
aanwezig en altijd stimuleerde hij iedereen.

Joop Wagener Jr.
Hij had een brede visie en een groot organisatietalent dat onder andere leidde tot de aanleg van ons hockeycomplex in het Amsterdamse Bos. Het is goed dat de tegenwoordige hockeygeneratie weet dat ons Wagener Stadion de naam draagt van de man die Amsterdam tot grote bloei heeft gebracht.
De combinatie Terwindt en Bosplan wordt een begrip bij de hockeyjeugd van Nederland. In de tijd, dat de Bond nog niet alles regelde, telde het winnen van de Terwindtbeker voor de meisjes en de Bosplanbeker voor de jongens als een officieus Nederlands Jeugdkampioenschap.
Terug naar 1938. De eerste interlands worden gespeeld in oktober tijdens een drielandentoernooi. Frankrijk (2-1) en Duitsland (2-2) zijn de gasten.
Bloemendaler Benno Schmeink (85) weet het allemaal nog wel, het was zijn debuut. Het eerste duel zat ik op de tribune, de bank kenden we nog niet. Gewoon in het nette pak op de tribune, daar was plaats genoeg, want behalve van onze vriendinnen was er niet zo veel belangstelling in die dagen. Tijdens de wedstrijd tegen Frankrijk kwam coach Quarles van Ufford - ome Jaap als je er in zat en meneer als je op de tribune moest plaats nemen - even langs lopen en riep: Morgen doe jij mee, vriend. Voor de wedstrijd lunchten we in de Groote Club. Een tactische bespreking kenden we nauwelijks, we hadden wel andere onderwerpen om over te praten. De scheidsrechters waren in die dagen niet neutraal, dat was ook die dag weer een voordeel. We speelden gelijk, iedereen was tevreden.
België is in 1940 voorlopig de laatste tegenstander in het stadion, de oorlog breekt uit. Er volgen vijf lange jaren waarin vanzelfsprekend geen interlandhockey plaatsvindt. Pas in 1946 wordt de draad tegen, wie anders dan onze zuiderburen, weer opgepakt (2-1, we kunnen het nog).
De Algemene Vergadering van Amsterdam benoemt op 8 oktober 1945 Joop Wagenerjr., die nog steeds de leider van de vereniging is, tot erevoorzitter. Helaas heeft hij daarna zijn krachten niet meer aan de vereniging kunnen wijden. Op 30 november komt onverwacht het bericht van zijn overlijden. Enkele jaren later gaat het bestuur van de KNHB akkoord met het voorstel van de Amsterdamse Hockey en Bandy Club om de naam van de man die de vereniging tot grote bloei bracht, voorgoed met het stadion te verbinden.
Voor het Wagener Stadion breekt een rustige tijd aan, Champions Trophys en andere grote toernooien met festiviteiten liggen nog ver in het verschiet. Na de interlands gaan de toeschouwers gelijk weer naar huis. De spelers drinken een glaasje boven in het oude clubhuis en zijn in die tijd nog tevreden met een kroketje op kosten van de Bond.
Jan Barlag is de groundsman in de jaren zestig. Interlandwedstrijden zijn ook voor de oud-leerling van de land- en tuinbouwshool met als specialisatie grondkennis ,de hoogtepunten van het seizoen. Op maandag begon ik al met het maaien, rollen en slepen. Voor de altijd wat kale goals legde ik plaggen. Dan zette ik het veld met touw en palen af, zodat niemand het in zijn hoofd haalde er die week op te lopen, alles moest er s zondags natuurlijk piekfijn uitzien.
Extra aandacht besteedde Jan aan de doelen die hij zelf had gemaakt, vier palen en het net dat gewoon op de grond hing. Achter- en zijplanken waren nog onbekend. Uit een oude doos diept hij de wat verschoten voorpagina van de Hockey Sport van augustus 1965 op, waar we hem aan het werk zien. Met die ondergrond van veen en klei was het een lastig veld om te onderhouden - hij lacht - zo hadden we een overbevolking van wormen in de grond, van tijd tot tijd zette ik de spuit erop. (wat in die spuit zat wordt niet helemaal duidelijk, red.)

Jan Barlag
Ze kwamen dan met duizenden naar boven, mensen van de gemeente veegden ze op en voerden ze af, vrachtwagens vol. Een mooi werkje was altijd het rollen van het veld onder het oog van alle toeschouwers in de rust van een interland. Het stukje voor de Nederlandse goal deed ik altijd dubbel, dat had Joost Boks de keeper me gevraagd.
De vrouw van Jan beheert het buffet boven in het clubhuis en schenkt op die dagen de kopjes koffie voor de officials. Vooral de kopjes voor Prins Bernard en zijn dochter Beatrix is zij niet vergeten.
Op warme dagen wordt op de hoek van het veld een marktkraampje neergezet. Op de schraagtafel staat de grote blikken koffieketel met het kraantje aan de onderzijde, het schaaltje met de suikerklonten en de dozen met koeken, de gevulde- met nootje in het midden en hun even beroemde, van rose glazuur voorziene, soortgenoten. Het zijn de eerste voortekenen van wat eens uit zal uitgroeien tot het promodorp van vandaag. Een historisch moment.
Als één van de leden vraagt of er ook een haringkarretje kan komen, wordt dit voorstel met algemene stemmen afgewezen, men is huiverig voor stank.
Voor de kleine kinderen van de Barlags is er, na de interlands, nog een bijzonder klusje weggelegd. Direct na het laatste fluitsignaal kruipen ze onder de tribune om de rommel, die, tussen de planken door, is gevallen, op te ruimen. Ze doen het met plezier, want gevonden kleingeld mogen ze houden, kostbaarheden worden ingeleverd bij mama.
In 1972 krijgt het complex een ander aanzien. Het nieuwe clubhuis, een ontwerp van architect Jan Kuijt, van jongsaf lid van Amsterdam, wordt geopend. Dat het al snel de Bunker wordt genoemd, deert Kuijt niet, integendeel. Alle spraakmakende gebouwen krijgen van de Amsterdammers toch een bijnaam, stelt hij.
In 1973 wordt het wereldkampioenschap voor heren in het
Wagener Stadion gehouden. Het is het laatste toernooi op
natuurgras. In het stadion is inmiddels de oude houten tribune met
het kleine overkappinkje, in de wandelgangen soms wel de bedstee of
het schavotje genoemd, vervangen door de tribune die we thans
kennen.
Er vindt tevens een damestoernooi plaats. Er staan extra tribunes
op de velden tussen de twee clubhuizen. Het oude clubhuis herbergt
organisatie en pers. Op het halfverharde trainingsveld is een
feesttent opgetrokken. Het nieuwe clubhuis ondergaat de
vuurdoop.

Finale WK 1973: de strafbal van Bart Taminiau
Het verhaal is bekend. Nederland speelt de finalewedstrijd tegen India. De strijd gaat gelijk op: 2-2. Ook na twee verlengingen is er niets veranderd. Strafballen moeten de beslissing brengen. Bij alle hockeygezinnen in Nederland die thuis op de zwart-wit tv de ontknoping volgen, wordt het avondeten op een laag pitje gezet. Keeper Maarten Sikking stopt een strafbal. Er valt een doodse stilte in het afgeladen stadion als de laatste speler, Bart Taminiau, achter de bal plaats neemt. Hij heeft het wereldkampioenschap in zijn handen.
Eerst hoog-links kijken en dan laag-rechts pushen, zegt Bart een uurtje later als hij met een pilsje in zijn hand ontspannen tegen het haringkarretje aanleunt. Het feest is dan al begonnen, het nieuwe clubhuis doorstaat de vuurdoop met speels gemak.
Tijdens de Olympische Spelen in Montreal vindt een primeur plaats. Hockey op kunstgras. Nederland blijft niet achter. Eerst Kampong, dan Rotterdam en in 1980 ligt ook in het Wagener een strak stadionbreed tapijt. De groundsman ziet het met lede ogen aan.
In 1981 wint de sterk verjongde Nederlandse ploeg tot ieders
verrassing in Karachi de Champions Trophy. Het elftal staat onder
leiding van coach Willem van Heumen en manager Willem Cornelis. In
1982 is Amsterdam gastheer van de zes sterkste landen van de
wereld.
Frank van den Wall Bake, met zijn nog prille sportmarketing en
-sponsoring bureau Trefpunt, vindt gehoor bij Piet Duinker,
directeur van de Hockey Bond. Duinker ziet in dat de traditionele
financieringsbronnen ontoereikend zijn om de hockeysport op een
passende wijze te propageren en perfecte evenementen te
organiseren. Niet iedere bondsbestuurder deelt zijn visie, maar de
toekomst bewijst zijn gelijk.

Wagener Stadion tijdens de Champions Trophy 1982
De entree naar het stadion wordt gemarkeerd door de blinkende Peugeot van de hoofdsponsor.
Het Nederlandse team voelt zich duidelijk thuis in het Wagener, evenals het jaar ervoor speelt Nederland in de laatste wedstrijd voor de toernooiwinst. Deze maal tegen Pakistan. Tim Steens stopt voor de laatste maal de corners met de hand. Ties Kruize scoort vijf maal. Nederland wint de Champions Trophy.
Een jaar later wordt Nederland, weer in het eigen stadion, Europees kampioen. Het is feest in het eerste promodorp. Het is gebouwd op plankiers die de velden tussen de twee clubhuizen moeten beschermen. Een metershoge Colafles vormt de skyline. Er is een café, een restaurant, veel stands waar leveranciers van vooral sportartikelen hun waren showen, een ontmoetingsplaats voor VIPs én er worden frieten gebakken.
Na afloop van het toernooi blijkt dat het frituurvet zich, door de vlonders heen, over het gras heeft verspreid en het veld voorlopig onbespeelbaar is. Het is voor voorzitter Udo Suermondt het sein om onmiddellijk een betere plaats voor een volgend promodorp te bedenken. Het wordt de parkeerplaats. Voor het parkeren van de autos wordt een oplossing gezocht.
In 1987 wordt de tweede Champions Trophy gehouden. Het stadion beleeft een dubbele primeur. De Mexican Wave spoelt over de tribunes én voor de eerste maal nemen ook de zes sterkste landenteams bij de dames deel aan het toernooi. Onder leiding van coach Gijs van Heumen wordt het goud binnengehaald. De heren eindigen op de tweede plaats achter het sterke Australië. Het gehele sociale gebeuren speelt zich tot op de dag van vandaag inderdaad af op de parkeerplaats. De ludieke oplossing voor het parkeren van de autos bestaat vooral uit lange wandelingen voor bestuurders en hun passagiers. Of het haringkarretje er definitief een eigen plekje heeft gevonden, kunt u tijdens deze Champions Trophy zelf ontdekken.

