Topsport in de praktijk: een tweeluik over langetermijnpresteren (deel 1)

Een sportdynastie: in Nederland?!

Een Nederlandse hockeycoach sloot het seizoen 2018-2019 – zijn tiende seizoen – niet af met een kampioenschap. In die tien seizoenen onder zijn leiding werd zijn team overigens wel acht keer kampioen. In dit tweeluik wordt duidelijk hoe bijzonder deze prestatie is, in nationaal opzicht (deel 1) en in internationaal opzicht (deel 2). In die acht Nederlands Kampioenschappen zit een ononderbroken reeks van vijf, de periode van 2014 tot en met 2018. Sinds 1981, het eerste seizoen van de KNHB Hoofdklasse in het dameshockey, is een dergelijk wapenfeit nooit eerder voorgekomen: een club wist hooguit twee jaar achtereen Nederlands Kampioen te worden.

De dagelijkse praktijk van deze clubcoach en zijn team door de jaren heen, staat in schril contrast met wat NOC*NSF als een zinvolle manier van topsportontwikkeling propageert in het boek ‘De weg naar het podium’ (2018). Het verhaal van een ongekende hockeydynastie ligt in lijn met de kritische kanttekeningen die ik over de ‘NOC*NSF-aanpak’ optekende (Van Rossum, 2018a).

De Nederlandse coach waarover dit tweeluik gaat, is werkzaam op het hoogste landelijke competitieniveau. De geschiedenis van zijn huidige team in het Nederlandse dameshockey gaat verder terug dan de tien jaar onder zijn leiding. In totaal heeft het clubteam in elk van de afgelopen 22 (!) seizoenen de finale om het Nederlands Kampioenschap gespeeld en daarbij 19 keer het kampioenschap behaald. In deze seizoenen zit een reeks van 11 opeenvolgende Nederlands Kampioenschappen.

Foto: KNHB/Koen Suyk

Enkele cijfers

Gedurende de 22 seizoenen werden 484 competitiewedstrijden gespeeld (22 per seizoen, een volledige competitie tussen 12 clubteams, waarna de bovenste vier in twee play-off rondes de Nederlands Kampioen bepalen). Van die 484 wedstrijden werden er 399 gewonnen (82,4%). Per wedstrijd is de gemiddelde score 3,73 doelpunten voor en 0,86 doelpunten tegen (bron: Jacques van Rossum).

De ploeg wint dus gedurende meer dan twee decennia het overgrote deel van de competitiewedstrijden gemiddeld met 3-1. De cijfers van de coach die de laatste tien seizoenen aan het roer staat lopen keurig in de pas met de cijfers over 22 seizoenen. Gemiddeld over de laatste tien jaar onder de huidige coach wint het team 82,3% van zijn wedstrijden, met gemiddeld 3,51 doelpunten voor en 0,83 tegen. In de laatste 10 jaar eindigde de club nooit lager dan tweede op de competitieranglijst (6 keer als eerste). Gedurende de 22 seizoenen van dominantie werd de competitie 15 keer als eerste afgesloten, 6 keer als tweede en 1 keer als derde. Over de jaren dus een constant èn hoog niveau, zonder dip!

Er is ook wel iets te zeggen vanuit ‘de wetenschap’ over waarom zo vaak winnen niet zo eenvoudig is als het voor de leek, buitenstaander of jaloerse bestuurder van een andere vereniging, wel zou kunnen lijken. In het boek over de prestaties van de coach Johan Cruijff (afbeelding 1, Van Rossum, 2018b) schreef ik, ter verklaring van dergelijke jarenlange succesreeksen: “Het gaat niét allereerst om winnen (pursue a higher purpose than winning), hetgeen inhoudt dat succes op een andere manier omschreven is dan wat ‘men’ gewoonlijk als succes bestempelt, namelijk gewonnen wedstrijden en kampioenschappen.” (ibid, p. 56).

Afbeelding 1: Coach Johan Cruyff in cijfers (Van Rossum, 2018b)

Basketbalcoach John Wooden: “They think when you win a lot, as we have, that it’s easy. The fact is, the more you win, the harder it is to keep on doing it. Just because we did it doesn’t mean it wasn’t hard.” (In: ‘The coaches’, Bill Libby; 1972, e-book, sectie 40, loc. 3115 van 3403)

Coach John Wooden
De basketbalcoach John Wooden wordt ook uitgebreid besproken in het boek over Cruijff. Enkele cijfermatige feitjes, om enige achtergrond te geven bij de bovenstaande quote: coach Wooden is een onomstreden grootheid in de Verenigde Staten. Hij leidde als hoofdcoach het college-team van de University of California at Los Angeles (UCLA) gedurende 27 seizoenen. In totaal werd in die periode een kleine achthonderd UCLA-competitiewedstrijden gespeeld in Division I, de competitie tussen de grote universiteiten, die sportbeurzen uitgeven. Onder coach Wooden, ‘de tovenaar van Westwood’, werden er gedurende die 27 jaar gemiddeld 8 van de 10 wedstrijden gewonnen. Hij werd door de Amerikaanse coaches – dus door collega’s van allerlei takken van sport! – gekozen tot Amerikaanse coach van de 20e eeuw. Daarbovenop kwam dat hij in juli 2009, in een enquête van Sporting News Magazine, de lijst bleek aan te voeren van ‘The greatest coaches of all time’ (een andere legendarische coach, Vince Lombardi, coach van de ‘Green Bay Packers’, dé ‘American football’-ploeg van de jaren zestig, eindigde als tweede).

Wooden was actief als coach van 1946 tot en met 1975. Hij overleed in juni 2010, 99 jaar oud. De laatste twaalf jaar van zijn UCLA-periode staat bekend als een sportdynastie. UCLA won toen tien van de twaalf keer het nationale kampioenschap. Er waren in die periode vier seizoenen dat alle wedstrijden (30 per seizoen) werden gewonnen en drie seizoenen dat er slechts één wedstrijd werd verloren; er was een reeks van 88 wedstrijden achtereen die allemaal gewonnen werden, een ‘winning streak’ die over meer dan twee seizoenen loopt (het seizoen telt veelal 30 wedstrijden). Dit soort cijfers maken coach Wooden legendarisch, onomstreden en vooralsnog onovertroffen.

Er is erg veel over Wooden geschreven. In 2014, dus vier jaar na Woodens overlijden en maar liefst 39 jaar na zijn stoppen als coach, verscheen de indrukwekkende en tot op heden omvangrijkste biografie over zijn leven als coach: Wooden, A coach’s life (Davis, 2014; een biografie van maar liefst 593 pagina’s). Een veel toegankelijker overzicht van coach Woodens opvattingen is in een mooi vormgegeven boekje opgeschreven door (sport-) journalist Steve Jamison: The essential Wooden (2007). Het meest consistente element in het levensverhaal van coach Wooden is dat hij zelf eigenlijk nooit direct met het winnen van wedstrijden bezig was, maar juist met de voorbereiding op de wedstrijden, en daardoor vooral bekend staat om de manier waarop hij trainingen voorbereidde en gaf.

Het meest consistente element in het levensverhaal van coach Wooden is dat hij zelf eigenlijk nooit direct met het winnen van wedstrijden bezig was, maar juist met de voorbereiding op de wedstrijden, en daardoor vooral bekend staat om de manier waarop hij trainingen voorbereidde en gaf

Eén van de sterspelers van Woodens teams, Walt Hazzard, is ervan overtuigd dat daarin de sleutel tot het succes lag: “Walt Hazzard, the key player at the start of the dynasty and an All-American in 1964, traces the Bruins’ success to Wooden’s practice sessions. That was the coach’s classroom, and he was a master teacher. ‘He was a great practice coach,’ Hazzard said. ‘He didn’t do much as a bench coach, but we were so well prepared, it really didn’t matter. Everything we did was reflective and instinctive. We were very precise. Coach Wooden deserves all the credit. He had the ability to withstand the pressures, the expectations and the jealousies. He wouldn’t allow the players to become complacent. He kept driving the team to excellence.” (Peters, 1989, p.77).

Voor het in 1999 verschenen boek ‘De top 500; De beste Nederlandse sporters van de eeuw’ heeft de fameuze (hockey)verslaggever Geerhardt de Grooth 24 hockeynamen aangeleverd (afbeelding 2, Witkamp & Van de Ruit, 1999). Dat is slechts 4,8% van het totaal aantal van de top 500. Zeventien mannen, zeven vrouwen. Geen enkele speelster van HC Den Bosch. Wèl zaten vijf van de zeven vrouwen in het Nederlands Elftal Dames dat in 1984, bij de Olympische Spelen van Los Angeles, de allereerste gouden hockeymedaille voor Nederland won. Overigens zat daar toch een Bosch’ tintje aan: Gijs van Heumen, zoon van Wim van Heumen (jarenlang bondscoach van de Nederlandse hockeymannen) was de coach van dat team (vgl. ook Van Rossum, 1996).

Afbeelding 2: De top 500; De beste Nederlandse sporters van de eeuw (De Grooth, 1999)

Een Nederlandse dynastie met een korte aanloop

Het ontbreken van zelfs maar één naam uit het Bossche damesteam bij de beste Nederlandse sporters van de 20e eeuw suggereert dat deze hockeydynastie er min of meer plotseling was. De afgelopen tien seizoenen was Raoul Ehren coach van dat succesvolle team. En inderdaad: de hegemonie was er min of meer plotseling. In een artikel in De Volkskrant (9 maart 2019) over ’20 jaar dominant dankzij het pact van Utrecht’ wordt een tipje van de sluier over de ontstaansgeschiedenis opgelicht: “Het moet ergens in een bruine kroeg in Utrecht zijn geweest, in 1996. Aan een tafeltje zaten de Brabantse hockeyinternationals Mijntje Donners en Ageeth Boomgaardt. Biertje erbij, viltje op tafel voor aantekeningen. Ze hadden maanden zitten broeden op een plan om de dominantie van Amsterdam en HGC in het vrouwenhockey te doorbreken.”

Dit komt iets concreter terug in het boek van Philip Kooke en Rim Voorhaar (2009, p.15, afbeelding 3): “Lange gesprekken voerde Boomgaardt in het Utrechtse café Bartjes en ’t Pumpke in ’s-Hertogenbosch met Mijntje Donners en Dillianne van den Boogaard. Het trio vond dat het de hoogste tijd werd dat een club van onder de grote rivieren de landstitel zou grijpen. Ze speelden nog bij verschillende clubs. Als ze iets wilden, moesten ze bij elkaar komen. ‘La Donners’ wilde niet weg bij HC Den Bosch waar ze was opgegroeid en ‘Boom’, van VMH&CC MOP, wenste niet op een traag zandveld te spelen. Ze ging ‘om’ toen ook Den Bosch de beschikking kreeg over een snel waterveld. Niet lang daarna, op 5 april 1998, vierde Den Bosch de eerste van een indrukwekkende reeks landstitels, in het Wagener stadion van Amsterdam.”

Afbeelding 3: De beste Nederlandse hockeyers (m/v) aller tijden (Kooke en Voorhaar, 2009)

Ze hadden maanden zitten broeden op een plan om de dominantie van Amsterdam en HGC in het vrouwenhockey te doorbreken

Van een club als AH&BC (in de wandelgang: Amsterdam) dateert het eerste kampioenschap uit 1983 (het tweede jaar van de landelijke Hoofdklasse, die in het seizoen 1981-1982 door de hockeybond werd ingesteld). Na de introductie van de Hoofdklasse werd het damesteam van Amsterdam negen keer kampioen van Nederland; buiten Den Bosch zijn er slechts twee andere kampioensclubs: het Haagse HGC (zeven keer) en het Utrechtse Kampong (twee keer). Het damesteam van Amsterdam kan dan ook worden gezien als de belangrijkste tegenstrever van Den Bosch in de afgelopen decennia: de drie keer dat Den Bosch geen Nederlands Kampioen werd in de afgelopen 22 seizoenen, verloor het de finaleronde van Amsterdam (in 2009, 2013 en 2019).

In het jubileumboek van Amsterdam, dat in het najaar van 2018 verscheen (AH&BC 1982-2017), zijn maar liefst twee hoofdstukken gewijd aan deze strijd: ‘De eeuwige strijd tussen Amsterdam en Den Bosch’ (pp. 78-79) en ‘Het kraken van de ‘Den Bosch code’ (pp. 80-82). De volgende passage is illustratief: “De clash Amsterdam-Den Bosch is een contrast van speelstijlen en karakters. Den Bosch is mentaal nauwelijks te kloppen. Daarnaast beschikten ze met de creatieve Lidewij Welten – beste speelster van de wereld in 2015 – en strafcornerkanon Maartje Paumen over bijzondere wapens.” (AH&BC lustrumboek, 2018, p. 80).

Deze strijd is er dus niet één van oudsher. Terwijl de Hoofdklasse sinds het seizoen 1981-1982 bestaat, speelde het gepromoveerde Den Bosch ‘pas’ in seizoen 1990-1991 in de Hoofdklasse en deed dat de eerste jaren vooral om degradatie te voorkomen. En dan ineens, in het achtste seizoen in de Hoofdklasse, werd voor de tweede keer in de clubgeschiedenis de play-offs om het Nederlands Kampioenschap gehaald èn, voor de eerste keer in de clubgeschiedenis, gewonnen. De rest is, zoals hierboven uiteengezet, geschiedenis.

Het pact van Utrecht

Deze geschiedenis begon dus met ‘het pact van Utrecht’. En ook die heeft een voorgeschiedenis. De beide internationals aan dat tafeltje in die bruine kroeg in Utrecht besloten dat de eerste stap moest zijn: “[…]de krachten bundelen. Donners speelde met Minke Booij bij Den Bosch, Boomgaardt met Dillianne van den Boogaard en Margje Teeuwen in het nabijgelegen Vught bij MOP. Ze kwamen elkaar regelmatig tegen in Utrecht, waar ze studeerden. Bij het Nederlands Elftal trokken ze naar elkaar toe. Waarom gingen ze dan niet ook bij dezelfde club spelen? (…) Dat ze voor Den Bosch kozen als club om mee verder te gaan, en niet Vught, kwam vooral door Donners. Deze telg uit een echte Bossche hockeyfamilie kon het thuis niet verkopen dat ze naar de concurrent zou gaan. Voor haar was MOP geen optie. In 1998, twee jaar na het pact van Utrecht, won Den Bosch de eerste landstitel.” (De Volkskrant, 9 maart 2019).

Met MOP had Boomgaardt in het seizoen 1993-1994 de play-offs gehaald, maar in de finale verloren van het Utrechtse Kampong. Iets soortgelijk was Donners een seizoen later, in 1994-1995, overkomen met Den Bosch, toen ze in de halve finales werden uitgeschakeld door de latere Nederlands Kampioen HGC.

Foto: Jacques van Rossum

In het seizoen 1997-1998, toen Den Bosch voor het eerst landskampioen werd, had het er zeven hoofdklasseseizoenen opzitten, met dus één keer die vierde plaats in de eindrangschikking die plaatsing voor de play-offs betekende. Over die zeven seizoenen waren de resultaten niet denderend, in ieder geval vèr onder de maat voor ‘prijzen’-aspiraties. Gemiddeld werden er door Den Bosch in die tijd per seizoen 28 doelpunten gemaakt en kreeg Den Bosch er 31 tegen (dat is 1,31 per wedstrijd voor en 1,44 per wedstrijd tegen). Mijntje Donners scoorde ieder seizoen tussen de 10 en 16 doelpunten. Mèt Ageeth Boomgaardt (in de voorgaande zeven seizoenen bij MOP goed voor 10 tot 15 doelpunten) zou Den Bosch offensief sterk aan kracht winnen.

Het ‘pact van Utrecht’ was dus cijfermatig een heldere en voor de hand liggende oplossing voor enkele ambitieuze hockeymeiden. Het pact, kunnen we nu intussen wel stellen, heeft de Nederlandse hockeywereld geheel op zijn kop gezet. Den Bosch profiteerde, terwijl voor MOP de gevolgen dramatisch waren: de club degradeerde drie seizoenen nadat ‘de krachten waren gebundeld’ uit de Hoofdklasse; het duurde vervolgens ruim tien jaar voordat de club weer op het hoogste landelijke niveau actief was.

Het ‘pact van Utrecht’ was dus cijfermatig een heldere en voor de hand liggende oplossing voor enkele ambitieuze hockeymeiden

In de periode voordat de Den Bosch-dynastie een aanvang nam, werd er in totaal 16 keer een hoofdklasseteam Nederlands Kampioen: elf keer door als eerste in de competitie te eindigen (seizoenen 1981-1982 tot en met 1991-1992) en vijf keer door de play-offs te winnen (seizoenen 1992-1993 tot en met 1996-1997). Die 16 kampioenen scoorden gemiddeld 66,3 doelpunten per competitie en kregen gemiddeld 15,8 doelpunten tegen. Den Bosch scoort de afgelopen 22 seizoenen gemiddeld 80,7 doelpunten per seizoen en krijgt er 17,5 tegen (let wel: de competitie omvat 22 wedstrijden). Deze cijfers duiden erop dat sinds het begin van de dynastie Den Bosch ruim twee keer zoveel doelpunten maakt als in die eerste moeizame seizoenen in de Hoofdklasse, en tegelijk ruwweg de helft aan tegendoelpunten incasseert. Cijfermatig heeft ‘het bundelen van de krachten’ dus een enorm positief effect gehad. In de afgelopen 22 seizoenen blijkt Den Bosch in 17 seizoenen de meeste doelpunten van alle hoofdklasseteams van dat seizoen te hebben gescoord; de topscoorder van de Hoofdklasse Dames was in 13 van die 22 seizoenen ook een speelster van Den Bosch.

In de ‘slipstream’ van deze Bossche veranderingen kan het bijna niet anders of het niveau van de competitie moet ook sterk omhoog zijn gegaan. Om het team van Den Bosch van de eerste plaats of van het kampioenschap af te kunnen houden is een wedstrijdhouding nodig die offensiever is en waarin tegelijkertijd de defensie niet veronachtzaamd wordt.

Foto: Ageeth Boomgaardt en Dillianne van den Boogaard. KNHB/Jeroen van Bergen

Het begin van het einde van een Nederlandse sportdynastie?
Tegen het einde van het sportseizoen 2018-2019 zal mogelijk alleen ingewijden zijn opgevallen dat er iets bijzonders plaatsvond. Voor de 22e keer in successie bereikte het eerste vrouwenteam van de hockeyclub Den Bosch de finale om het Nederlands Kampioenschap. Het werd niet de twintigste keer dat ‘ze’ Nederlands Kampioen werden, maar het werd de derde keer dat ze de finaleronde verloren en dus naast het Nederlands Kampioenschap grepen en als verliezer van de finale van het veld stapten. Dat was vooral nieuws omdat enkele weken eerder de halve finale om de Europese beker voor clubteams verloren was gegaan en vervolgens ook de troostfinale werd verloren. Coach Raoul Ehren zei toen voor de televisiecamera dat hij zich niet kon herinneren dat zijn team ooit eerder twee wedstrijden achter elkaar had verloren. Dat zegt dan een coach die vijftien jaar bij de begeleiding van het team betrokken is, vijf jaar als assistent-coach en de laatste tien jaar als hoofdcoach. Het voor de Den Bosch-dames unieke voorval op Europees niveau herhaalde zich dus enkele weken later op nationaal niveau: beide wedstrijden in de play offs finale werden verloren. Einde van een tijdperk? Einde van een hockeydynastie?

Een periode van onvermoede dominantie is ingezet toen enkele internationals besloten om ‘de krachten te bundelen’ en met elkaar in hetzelfde clubteam te gaan spelen. Dat er toen een succesvolle periode werd ingezet kon op dat moment zeker niet worden verwacht, hooguit gehoopt.

Coach Raoul Ehren zei toen voor de televisiecamera dat hij zich niet kon herinneren dat zijn team ooit eerder twee wedstrijden achter elkaar had verloren

Ingrediënten van een sportdynastie
Volgens het eerder aangehaalde artikel in De Volkskrant (9 maart 2019) zijn er drie ingrediënten voor het langdurige succes: de clubcultuur, de wil om te winnen en de trouw aan de jeugd. Over de clubcultuur zegt coach Ehren in het artikel: “De betrokkenheid van speelsters bij deze club is ongekend groot. Als je hier hockeyt, betekent dat niet dat je alleen maar een beetje de trainingen afwerkt en een wedstrijd speelt in het weekend. Vrijwel alle belangrijke speelsters van de afgelopen twintig jaar bemoeien zich op de een of andere manier nog met het eerste. Op een positieve manier.”

Binnen de clubcultuur past de nadruk op de eigen jeugdopleiding (‘trouw aan de jeugd’). Volgens de voorzitter van de club zwichten talentvolle speelsters niet voor aanbiedingen van andere clubs: “Ze krijgen bij Den Bosch altijd de kans zich te bewijzen.” Maar zoiets moet zich in de praktijk natuurlijk bewijzen. Een passage in het krantenartikel: “Toen gedurende de winterstop twee Nederlandse internationals interesse toonden om zich bij Den Bosch te voegen, hoefde Ehren ook niet lang na te denken: ‘We zijn al hofleverancier van het Nederlands elftal. Ik had niets aan die twee extra krachten. Dan had ik spelers uit de jeugd moeten passeren. En zo werkt het hier niet. Eigen jeugd gaat voor.'” Die nadruk op de jeugd en dat oog hebben voor jonge speelsters heeft in ieder geval twee andere kanten. De ene kant is dat ‘van buiten’ vaak de suggestie komt dat als Den Bosch zo vaak kampioen is, er dan wel veel geld rond zal gaan, zodat Den Bosch wel een ‘koopclub’ zal zijn. In het artikel: “Dat is aantoonbare onzin”, zegt Ehren.

In de tien jaar dat hij hoofdcoach is, speelde er geen buitenlander in het geel-zwart. Daarin zijn we uniek als topclub. Kijk maar bij HC Oranje-Rood, daar spelen een Japanse international en twee Argentijnse speelsters. Eén van die twee had zich ook bij ons aangemeld, maar ik koos voor speelsters uit onze A1. Bij SCHC staat de Argentijnse Delfina Merino in de spits, vorig jaar uitgeroepen tot beste speelster ter wereld. En zij hebben Maddie Hinch in het doel, misschien wel de beste keeper ter wereld.”

Vrijwel alle belangrijke speelsters van de afgelopen twintig jaar bemoeien zich op de een of andere manier nog met het eerste. Op een positieve manier

Belang van het opleiden van eigen jeugd

De tweede kant van dat oog voor de eigen jeugd is dat speelsters van ‘het eerste’ concreet meehelpen in de jeugdopleiding. Dat is ook een alom bekend gegeven. In het AH&BC-jubileumboek zegt oud-Amsterdam-speelster Maartje Scheepstra (oud-international, 100 interlands, manager van Nederlands Meisjes A) hierover: “Bij Den Bosch was Janneke Schopman de coach van Meisjes A1. Minke Booij van de B1. Vera Vorstenbosch van de C1 en ga zo maar door. Als die jonge meiden dan bij Dames 1 kwamen, wisten ze hoe ze een press moesten lopen en hoe ze kritiek konden incasseren. Bij Amsterdam waren er misschien twee speelsters die weleens training gaven of een team coachten op de club.” (AH&BC, 2018, p. 79).

Dat het al zo lang zo succesvol is gebleven, is dus sterk bepaald door de eigenaren van de sleutel tot het succes: de trainer/coach, diens assistenten (onder wie ook oud-speelsters) en vanzelfsprekend ook de speelsters: er dient aandacht te zijn voor een culture of excellence, zoals de Australische hockey-succescoach Ric Charlesworth het formuleerde (vgl. Charlesworth, 2017). Hij stelde bijvoorbeeld vast, na het winnen van de bronzen medaille op het Olympisch toernooi in Londen 2012, dat er iets grondig mis was in zijn selectie en beschrijft in het boek ‘World’s Best’ (2017) hoe hij dat veranderde naar een culture of excellence. Vanuit die sportcultuur werd vervolgens door de Australische mannenploeg in 2014 de wereldtitel geprolongeerd, in een finale die Nederlandse toeschouwers in het Haagse ADO-voetbalstadion (voor de gelegenheid, het WK-toernooi, omgebouwd tot een hockeystadion) en kijkers naar de live-uitzending op de televisie zich waarschijnlijk vooral herinneren vanwege de suprematie die het Australische team toonde. Het Nederlands Elftal Heren werd de oren gewassen, ze verloren de finale met 6-1.

Tot slot

Het zou mooi zijn als over deze ongekend succesvolle periode niet slechts krantenartikelen als achtergrond te vinden zijn, en dat er over de coach meer te lezen is dan een ‘profiel’ in de kwaliteitskrant NRC-Handelsblad (9 mei 2018) onder de titel De ‘hockeynerd’ die vergroeid is met Den Bosch’. Deze reeks van tenminste 22 successeizoenen (met daarin een periode onder dezelfde coach van tenminste 10 successeizoenen) zou een boek verdienen waarin opkomst en bloei nauwgezet beschreven zijn en van commentaar voorzien door allerlei betrokkenen. Het is, ondanks het ontbreken van zo’n boekwerk, al lang duidelijk dat er de afgelopen jaren echt iets bijzonders is gebeurd binnen de Nederlandse topsport, daar aan de Oosterplas in Den Bosch.

Literatuur

  • AH&BC-commissie lustrumboek (2018). AH&BC 1892-2017. Amsterdam: Amsterdamsche Hockey & Bandy Club.
  • Bool, K. & TeamNL (2018). De weg naar het podium; Talentherkenning en –ontwikkeling in de Nederlandse topsport. Nieuwegein: Arko Sports Media.
  • Charlesworth, R. (2017). World’s best. Perth, Australië: R.C. Sports (WA) Pty, Ltd.
  • Davis, S. (2014). Wooden – A coach’s life. New York: Times Books, Henry Holt and Company.
  • Kooke, Ph. & Voorhaar, R. (2009) De beste Nederlandse hockeyers (m/v) aller tijden. Amsterdam/Antwerpen: Amstel Sport.
  • Libby, B. (1972). The coaches. Washington D.C.: Regnery [Sinds 2014 beschikbaar als e-book].
  • Peters, N. (1989). The Wooden legacy: 10 out of 12. In: J. Hoppel, M. Nahrstedt & S. Zesch (Eds), Dynasty: Action-packed profiles of the 12 most dominant teams in sports history (pp 76-97). St. Louis, Missouri: The Sporting News Publishing Co.
  • Rossum, J.H.A. van (2018a). NOC*NSF vervangt LTAD-model door eigen visie; Kanttekeningen bij ‘De weg naar het podium’. Sport-Gericht, 2018, 72 (4), 26-31.
  • Rossum, J.H.A. van (2018b). Coach Cruijff in cijfers. Rotterdam: 2010 uitgevers.
  • Rossum, J.H.A. van (1996). Hoogmoed zonder val; Dames hockeyploeg Los Angeles 1984. In P. Mulder & O. Steens (eindredactie), 100 jaar Olympisch goud; Nederlandse Olympische kampioenen en de 100-jarige geschiedenis van de Olympische Spelen (pp 137-140). Amsterdam: Stichting De Sportwereld. [De bijdrage is herdrukt in ‘Hollands goud’ (redactie: Wilfred van Buuren; uitgeverij Meulenhoff, Amsterdam), 2008 (pp 186-189) en 2012 (pp 191-194)].
  • Witkamp, A. & Ruit, L. van de (1999). De top 500; De beste Nederlandse sporters van de eeuw. Maarssen: Premium Press.
  • Wooden, J. & Jamison, S. (2007). The essential Wooden; A lifetime of lessons on leaders and leadership. New York: McGraw-Hill.
  • Hockeyvisie
Bekijk alle hockey visies

Deel deze pagina