Velden: verlichtingsinstallaties
Richtwaarden voor hinder voor omwonenden
Lichthinder en verlichting van sportvelden
Door de commissie lichthinder van de Nederlandse Vereniging voor verlichtingskunde worden binnenkort waarden vastgesteld voor toelaatbare verlichtingsniveaus ten gevolgen van kunstlichtinstallaties voor sportvelden ter hoogte van nabij gelegen woningen.
Vooruitlopend op de definitieve bepaling van de waarden worden door Dorsser raadgevende ingenieurs bijgaande uitgangspunten gehanteerd. Voor de vaststelling van de toelaatbare waarden wordt een verdeling in vier woongebieden categorieën gegeven. De genoemde waarden betreffen het verlichtingniveau op een verticaal vlak ter hoogte van de gevel.
|
|
|
07.00-23.00 uur
|
23.00-07.00 uur
|
|
|
Lux (Ev)
|
Lux (Ev)
|
|
Cat E1
|
natuurgebieden
|
2
|
1
|
|
Cat E2
|
landelijke woongebieden
|
5
|
1
|
|
Cat E3
|
woongebieden met straatverlichting
|
10
|
2
|
|
Cat E4
|
stedelijke gebieden
|
25
|
4
|
Naast de waarden wordt door de commissie een andere maatstaf voor de hinderbeoordeling gegeven te weten de verblindingswaarde (VW). Deze verblindingswaarde geeft de verhouding tussen sluierluminatie van de armaturen en de sluierluminatie van de omgeving. De berekende waarden kunnen variëren tussen de 0 en 100. Als algemeen acceptabel wordt een waarde tussen de 0 en 50 gehanteerd.
Praktijk
Uitgaande van een gemiddeld verlichtingsniveau van de sportvelden van 250 tot 500 lux (wedstrijdvelden voor hockey en tennis) zal duidelijk zijn dat bij zeer nabij gelegen woningen door niet juist aangebrachte armaturen het verlichtingsniveau ter hoogte van de gevel deze aanbevolen waarden in veel gevallen zal overschrijden. Trainingsniveaus voor voetbal variëren van 90 150 lux, de hinder naar de omgeving zal voor deze velden minder kritisch zijn.
De meeste sportvelden zijn in Nederland gelegen in de omgevingscategorie E3, dat wil zeggen dat volgens de richtlijnen een waarde van 10 lux gedurende de avondperiode (19.00 23.00 uur) toelaatbaar is.
Met een luxmeter is dit niveau ter hoogte van de gevel makkelijk vast te stellen. In de praktijk zal echter het niveau ter hoogte van een rij woningen voor een groot deel bepaald worden door het aandeel van de straatverlichting. Waarbij opgemerkt wordt dat dit niveau ten gevolge van de straatverlichting zal fluctueren afhankelijk van de positie van de woning ten opzichte van de straatlantaarns.
Doordat de lichtmasten van sportvelden een gelijkmatigere verdeling van het licht geven en bovendien meestal verder van de woningen zijn geplaatst, zal ook de verdeling van het verlichtingniveau over de gevels van deze masten gelijkmatiger verdeeld zijn.
In de praktijk zal het vaststellen van de verlichtingswaarden op de gevel door metingen in stedelijke gebieden moeilijk realiseerbaar zijn. Berekeningen op basis van de aangetroffen verlichtingssituatie of de te realiseren situatie liggen derhalve meer voor de hand. Hierbij moet opgemerkt worden dat in de berekeningsmodellen de opgaande begroeiing rond velden moeilijk in het model in te voeren is. Zo zal, als er begroeiing om een veld wordt aangebracht, de berekende waarde vaak ongunstiger zijn dan de werkelijke optredende verlichtingsniveaus.
Beperkende lichthinder
Naast afscherming van de nabijgelegen woningen door gebouwen kunnen ook maatregelen aan de armaturen worden getroffen. Door toepassing van armaturen die op de grootte van het sportveld zijn afgestemd en de juiste keuze van armatuurreflectoren en afschermkappen kan een goede afstemming van het gewenste verlichtingsniveau op het veld en voorkoming van hinder naar de omgeving worden bereikt.
Overige maatregelen
Naast het afstemmen van armatuur op de verlichtingsbehoefte en de juiste keuze van lamptype, afschermkappen en armatuur kan bij de inrichting van nieuw aan te leggen sportcomplexen en sportvelden in de ontwerpfase rekening gehouden worden met de locatie van de te verlichten velden, de hoogte van de lichtmasten en de inrichting van de omgeving. Een belangrijk factor bij het voorkomen van lichthinder naar de omgeving is de keuze van de beplanting rond het sportcomplex.
Het is zaak om in een vroege fase van de planvorming voor nieuwe sportterreinen of herinrichting van sportvelden een adviseur te betrekken. Door gericht advies, ondersteund door verlichtingsberekeningen, ka de adviseur in de voorbereidingsfase mogelijke bezwaren van omwonenden voorkomen.
Het wettelijke kader
Per 1 oktober 1998 is het besluit Horeca- Sport- en Recreatie-inrichtingen Milieubeheer in werking getreden.Ten aanzien van lichthinder zijn in deze AmvB de volgende voorschriften opgenomen:
- De verlichting dient tussen 23.00 uur en 07.00 uur te zijn uitgeschakeld
- De verlichting dient te worden uitgeschakeld, indien er geen sport wordt beoefend, noch onderhoud plaatsvindt
- De verlichtingsinstallatie dient zodanig te worden uitgevoerd dat directe lichtinstraling op lichtdoorlatende openingen in gevels of daken van woningen wordt voorkomen.
Voor bovengenoemde voorschriften wordt een uitzondering gemaakt indien:
- Er in de sportaccommodatie festiviteiten worden gevierd, die voortvloeien uit een gemeentelijke verordening
- Er in de accommodatie festiviteiten worden gevierd of activiteiten worden uitgevoerd, waarbij de gemeente heeft gesteld dat het aantal hiervan niet meer mag zijn dan 12 dagen of dagdelen per kalender jaar.
De vereniging hoeft geen vergunning aan te vragen, maar heeft een meldingsplicht. De gemeente kan opdracht geven de mate van hinder voor omwonende te laten onderzoeken.
Goed en gericht onderhoud van essentieel belang
Veel hockeyverenigingen hebben de beschikking over een verlichtingsinstallatie bij één of meer van hun (kunst-)grasvelden. Het doel van de verlichtingsinstallatie is niet altijd gelijk. Bij de ene vereniging zal het uitsluitend ten behoeve van trainingen in de avonduren zijn, bij de andere worden er ook oefenpartijen gespeeld bij de kunstverlichting en in toenemende mate vinden er ook competitiewedstrijden plaats bij kunstlicht (met name de bedrijfscompetities). Waar verenigingen zich soms echter onvoldoende bewust van zijn, is dat de prestatie van de verlichtingsinstallatie (ofwel: de hoogte van het geleverde lichtniveau) afneemt naarmate de installatie ouder wordt. Deze vermindering in lichtopbrengst is niet gering en mag niet worden onderschat. Het lichtniveau kan zo laat worden dat verantwoord (veilig) trainen of spelen in feite niet meer mogelijk is. Het lichtniveau kan zo laat worden dat niet meer voldaan wordt aan de reglementaire eisen ten behoeve van wedstrijden waardoor de installatie voor competitiegebruik afgekeurd kan worden. Een goed onderhoud aan de installatie om een te forse daling van het verlichtingsniveau te voorkomen is derhalve van groot belang.
Richtlijnen verlichting
De richtlijnen en, waar het de competitie betreft, de reglementaire eisen voor de verlichting van hockeyvelden worden door het Bestuur van de KNHB vastgesteld, waarbij zij zich laat leiden en adviseren door de Commissie Hockey Accommodatie (CHA). De CHA laat zich op haar beurt weer leiden door de richtlijnen die de Nederlandse Stichting voor Verlichtingskunde (NSvV) publiceert en die samengesteld worden door de Commissie Sportverlichting van de NSvV. In deze Commissie Sportverlichting heeft het Instituut voor Sportaccommodaties twee permanente vertegenwoordigd die de belangen behartigen van de leden van NOC*¨NSF, waaronder de KNHB. Zodra echter nieuwe richtlijnen voor de verlichtingsinstallatie voor een bepaalde sport worden ontwikkeld, stelt de Commissie Sportverlichting voor die sport een subcommissie in het leven, bijvoorbeeld de subcommissie Hockey, waarin dan een vertegenwoordiger van de betreffende bond, in dit geval de KNHB, uitgenodigd wordt zitting te nemen naast de vertegenwoordigers van NOC*NSF. Op deze wijze is altijd voldoende inbreng vanuit de betreffende sport gewaarborgd bij de ontwikkeling van richtlijnen voor de verlichting.
De huidige richtlijnen voor de verlichtingsniveaus bij hockeyvelden zien er als volgt uit:
Gemiddelde horizontale verlichtingssterkte Eh Gelijkmatigheid Emin: Emax
Niveau 1 Wedstrijdvelden
Hierbij moet overigens worden opgemerkt dat uit het oogpunt van veiligheid de eisen voor trainings- en oefenvelden steeds meer richting de eisen voor wedstrijdvelden worden getrokken. De FIH meldt in haar richtlijnen reeds dat voor velden waarop baltrainingen plaats vinden, dezelfde eisen gelden als voor wedstrijdvelden.
De gelijkmatigheid betreft de verhouding tussen het laagst gemeten verlichtingsniveau op het veld en de hoogst gemeten waarde. Door de opstelling van de masten en de richting van de lampen zal het niveau namelijk niet overal op het veld gelijk zijn. Om te grote contrasten te vermijden is deze eis voor gelijkmatigheid ingevoerd. Voor een nadere omschrijving van de richtlijnen voor de verlichting van hockeyvelden verwijzen wij u naar het deel 5 Hockey van de brochureserie "Verlichting voor Sportaccommodaties", te bestellen bij de NSvV.
Lichtterugval door vervuiling en veroudering
Als een verlichtingsinstallatie net is opgeleverd, is het armatuur nog schoon en goed reflecterend en zijn de lampen nog nieuw. Tijdens het gebruik zal de reflector in het armatuur echter vuiler en minder reflecterend worden, waardoor het rendement en daarmee de lichtopbrengst afneemt. Verder gaat door slijtage een lamp tijdens het gebruik steeds minder licht geven en zal er in de loop der tijd één of meer lampen in de installatie uit gaan vallen. In de loop der tijd zal derhalve het lichtniveau op een veld gaan teruglopen ten opzichte van het niveau dat er was bij de oplevering van de installatie.
De in het bovenstaande tabel vermelde richtlijnen voor de lichtniveaus mogen op een veld in principe echter nimmer onderschreden worden. Bij het ontwerp van een nieuwe verlichtingsinstallatie dient daarom dus rekening te worden gehouden met deze lichtterugval door vervuiling en veroudering. De verlichtingssterkte bij oplevering van de nieuwe installatie moet dan ook hoger zijn dan de in bovenstaande tabel vermelde minimale eisen.
Toegepast onderhoud
Hoeveel hoger de verlichtingssterkte bij oplevering van een nieuwe verlichtingsinstallatie dient te zijn is onder andere afhankelijk van de wijze waarop men het onderhoud wil toepassen. Bij een bestaande installatie kan de redenering worden omgedraaid met de stelling dat om te kunnen blijven voldoen aan de minimale eisen er daarop gericht onderhoud dient te worden toegepast.
De onderhoudspraktijk die we dagelijks tegenkomen bij verlichtingsinstallaties kan in grote lijnen worden onderscheiden in twee hoofdgroepen:
- Lampvervanging vindt steeds slechts plaats als een lamp uitvalt. Alleen de betreffende lamp wordt vervangen, waarbij het armatuur waarin de lamp zit gelijktijdig schoongemaakt zou moeten worden (dit laatste gebeurt helaas niet altijd).
- Lampvervanging vindt plaats na een bepaald aantal branduren. Hierbij wordt dus na een vooraf gepland aantal branduren de lamp vervangen, ongeacht of deze lamp al uitgevallen is of niet. Vaak gaat dit in de vorm van groepsremplacement, waarbij dan dus steeds na een vooraf vastgesteld aantal branduren alle lampen van de installatie vervangen worden. Ook hier geldt dat het armatuur waarin die lamp(en) zit(ten) gelijktijdig schoongemaakt zou(den) moeten worden.
De vraag wanneer en hoe lampvervanging plaats vindt en of daarbij wel of niet de armaturen steeds schoon gemaakt worden, is dus bepalend voor het uiteindelijk lichtniveau op het veld. Omgekeerd is het gewenste minimale lichtniveau op een veld en de opbouw van de bij dat veld aanwezige verlichtingsinstallatie bepalend voor het onderhoudsregiem dat toegepast moet worden.
Vervanging per uitgevallen lamp
Het moment van lampvervanging is dus afhankelijk van de vraag wat nu precies in de betreffende situatie verstaan wordt onder de levensduur van de lampen in de totale installatie. Indien men stelt dat dit het aantal branduren is totdat de lamp fysiek kapot gaat, moet men rekening houden met een redelijke forse terugval in lichtopbrengst van die lamp voordat hij totaal kapot gaat. Bij deze definitie gaat men dus uit van onder bulletpoint 1 beschreven onderhoudspraktijk en zal, om aan de minimale eisen te kunnen blijven voldoen, een redelijk grote verlichtingsinstallatie ontworpen danwel aanwezig moeten zijn met een hoge aanvangswaarde voor het verlichtingsniveau. Als men zich beperkt tot het vervangen van de lamp zonder het bijbehorende armatuur schoon te maken, zal de aanvangswaarde bij nieuw installatie nog hoger moeten zijn om dit te compenseren.
In het algemeen blijkt dat bij het ontwerp van een installatie nooit rekening gehouden wordt met een dergelijk hoge aanvangswaarde. Bij de toepassing van een dergelijk onderhoudsregiem is het lichtniveau op het veld dan ook bijna altijd lager dan minimaal vereist is. Dit kan bij competities tot afkeuring van de lichtinstallatie en bij trainingen tot ongewenste en onveilige situaties leiden.
Vervanging op basis van branduren
Bij een lamp zou je eigenlijk dan ook moeten spreken over de nuttige gebruiksduur.
Dit is het aantal branduren gedurende welke de lamp aan zekere praktische gebruikseisen voldoet, zoals de hoeveelheid licht die de lamp nog oplevert voordat deze vervangen wordt. Een lamp vervang je dan wanneer de lichtterugval zo groot geworden is dat niet meer voldaan wordt aan de vereist minimale lichtopbrengst. Bij groepsremplacement vervang je alle lampen gelijktijdig wanneer het lichtniveau door uitval of lichtterugval zo laag geworden is dat niet meer voldaan wordt aan de minimumeisen.
Bij de betere merken lampen is de karakteristiek van uitval en lichtterugval als functie van het aantal branduren bij de leverancier beken (voor de bepaling van de lichtterugval en uitval van een lampenserie bestaan genormeerde laboratoriumproeven). De praktische gebruikseisen worden vooraf op basis van die karakteristieken in overleg met de fabrikant/leverancier van de installatie vastgesteld. Zo'n praktische waarde kan bestaan uit het aantal branduren waarbij bijvoorbeeld 10% van de lampen is uitgevallen en/of de lichtterugval van de totale installatie bijvoorbeeld 20% bedraagt.
Onderhoudscontracten
Uit het bovenstaande kan men concluderen dat het beter is om lampen op basis van een praktische waarde voor het aantal branduren te vervangen en niet slechts dan als de lamp uitvalt. Indien men dit doet ligt het voor de hand om dit vanaf een bepaald moment voor alle lampen te doen, ofwel na een vooraf vastgesteld aantal branduren steeds alle lampen te vervangen. Uiteraard kan het daarbij nog steeds voorkomen dat een lamp onverwacht snel uitvalt, waarbij in dat geval tussentijds alleen die lamp vervangen wordt. Bij onderhoud spreken we echter niet alleen over vervanging van lampen. Het komt het lichtniveau namelijk ook ten goede als bij vervanging van een lamp gelijktijdig de reflector van het bijbehorende armatuur grondig gereinigd wordt. Verder verdient het aanbeveling om regelmatig, bijvoorbeeld gelijktijdig bij de groepsreplacement, door de leverancier een inspectiemeting uit te laten voeren conform de norm NEN 1891, zodat inzicht wordt verkregen in de totale onderhoudstoestand van de verlichtingsinstallatie. Zonnodig kunnen dan aanvullende onderhoudsmaatregelen worden getroffen.
Onderhoud bestaat derhalve dus uit lampvervanging, armatuurreiniging en controlemetingen. Hiervoor kan men per keer vanuit de vereniging initiatieven richting de leverancier ontplooien. Men kan echter hierover ook met de leverancier een onderhoudscontract afsluiten. In dit onderhoudscontract kan men de volgende zaken opnemen:
1. Moment van lampvervanging
2. Reiniging van de reflector van de armaturen bij lampvervanging
3. Periodieke controlemetingen en rapportage daarvan conform de in NEN 1891 beschreven inspectiemeting
4. Verplichtingen vereniging en verplichtingen leverancier, alsmede kosten voor het uitvoeren van het onderhoudscontract.
Uit bovenstaande kan men afleiden dat men een onderhoudscontract zo eenvoudig of uitgebreid kan maken als men wil, met uiteraard bijbehorende kostenconsequenties. Indien men het onderhoudscontract bij levering van de installatie aangaat, kan men onder punt 4 voorwaarden opnemen met betrekking tot het blijven voldoen van de installatie aan de overeengekomen minimale eisen en hoe, indien bij de onder punt 3 genoemde inspectiemeting blijkt dat dit niet het geval is, de leverancier er zorg voor moet dragen dat dit alsnog het geval is en hoe de kosten daarvoor verdeeld worden.