KNHB - Official Partners

KNHB - Official Partners
 

Bijlagen

Algemeen: Over de toekomst van vrijwillige inzet bij hockeyverenigingen

Door: Lucas Meijs en Esther Ten Hoorn, Erasmus Universiteit Rotterdam. 27/4/2006

De toekomst van de vrijwillige inzet in Nederland is het hoofdthema in het onderzoek van de Erasmus Universiteit in samenwerking met CIVIQ, Instituut Vrijwillige Inzet, in opdracht van het Ministerie van VWS. Onderdeel van dit onderzoek wordt is de vraag hoe vrijwillige inzet kan worden verhoogd. Daarbij wordt bijvoorbeeld gekeken naar de effectiviteit van verschillende maatregelen om vrijwilligerswerk te stimuleren.

Als verkennende stap in dit onderzoek is tijdens het Nationale Hockeycongres 4 februari 2006 een proef enquête afgenomen bij de bezoekers van de workshop van prof. dr. Lucas Meijs over “Zelf aan bal: de toekomst van vrijwilligerswerk / vrijwillige inzet bij hockeyverenigingen”. Deze workshop is drie keer gegeven als onderdeel van het Nationaal Hockeycongres 2006 (2 keer bestuurders) en Hockey Sensation (1 keer jongeren) op 4 februari 2006. 94 Deelnemers hebben de enquête ingevuld waarbij zij 34 maatregelen die hockeyverenigingen zelf zouden kunnen nemen om vrijwilligerswerk binnen de vereniging te stimuleren, te beoordelen op hun effectiviteit op de korte en op de lange termijn. De deelnemers zijn tevens gevraagd om hun sekse, leeftijd en functie in te vullen.

Hoewel de steekproef te klein is voor diepgravende statistische analyse blijkt dat de antwoorden onafhankelijk zijn van sekse en soort bestuursfunctie. Verder komt een aardig beeld naar voren van welke maatregelen positieve effecten zouden kunnen hebben op het aantal vrijwilligers bij hockeyverenigingen in de ogen van de respondenten. Een waardering van 5 staat voor ‘zeer positief effect’, 3 staat voor ‘neutraal of geen effect” en 1 staat voor “zeer negatief effect”.  In de tabel hieronder ziet u de gemiddelde scores van de Top 5 goede en slechte maatregelen, volgens de deelnemers van de workshop. Tevens ziet u het verschil in beoordeling voor korte en lange termijn effecten van de maatregelen.

Top 5 positieve effecten Top 5 negatieve effecten
BBQ voor alle vrijwilligers (4.12 op korte termijn, n=94, maar 3.78 op lange termijn, n=93) Afkopen van rijden bij uitwedstrijden (2.12 op korte termijn, n=91en 2.11 op lang termijn, n=89)
Roulatierooster voor ouders om te rijden bij uitwedstrijden (4.04 op korte termijn, n=91 en 3.93 op lange termijn, n=89) Verplichten van 25 uur vrijwilligerswerk per jaar voor alle leden (2.17 op korte termijn, n=95 en 2.06 op lange termijn, n=93)
Taken opsplitsen in kleine klusjes, waardoor meer vrijwilligers minder doen (3.87 op korte termijn, n=94 en 3.93 op lange termijn, n=90) Kinderen mogen niet spelen als de ouders geen vrijwilligerswerk doen (2.45 op korte termijn, n=91 en 2.46 op lange termijn, n=89)
Uitnodigen topsporters om een clinic te geven voor alle leden (3.93 op korte termijn, n=94, maar 3.68 op lange termijn, n=92) Afkopen van bardiensten waardoor anderen betaald kunnen worden (2.68 op korte termijn, n=94 en 2.66 op lange termijn, n=91)
3 Euro per uur betalen aan jeugdleden die training geven (3.92 op korte termijn, n=90 en 3.83 op lange termijn, n=89) Adverteren voor vrijwilligers in de lokale krant (2.72 op korte termijn, n=92 en 2.62 op lange termijn, n=90)


Opvallend is dat een aantal belonende maatregelen hoog in de top eindigt. Overigens werd van andere belonende maatregelen, zoals 3 euro per uur betalen aan senior leden die training geven, een vrijwilligerspenning voor 25 jaar vrijwilligerswerk, reiskosten vergoeden en voor iedereen verlagen van de contributie bij groei van het aantal vrijwilligers eerder een neutraal of geen effect verwacht. Een maatregel als het geven van een bosje bloemen aan vrijwilligers zou alleen op de korte termijn effect hebben en niet op lange termijn. De deelnemers verwachten dat maatregelen die een verplichtend of juist ontwijkend (‘afkopen’) karakter hebben minder positieve effecten zullen hebben op het aantal hockeyvrijwilligers. Verder worden maatregelen die vrijwilligerswerk stimuleren door het werk zelf leuker en aantrekkelijker te maken, zoals vrijwilligers zelf de mogelijkheid te geven wat ze willen doen, over het algemeen positief beoordeeld.

Veel schattingen zaten rond de 3, dus een neutraal of geen effect. Men kan zich dan afvragen of de respondenten een neutraal effect verwachten van die maatregelen, of dat men niet wist wat het effect zou kunnen zijn. Bij sommige deelnemers zal een maatregel een positief beeld oproepen, maar bij anderen wellicht een negatief beeld. Dat hangt onder meer samen met de eigen ervaringen.

Bij enkele vragen is er een licht verschil tussen ‘ouderen’ en ‘jongeren’. Jongeren (tot 35 jaar) beoordeelden de effecten van een vrijwilligerspenning voor 25 jaar vrijwilligerswerk en een competitie “de beste vrijwilliger” met een geldbeloning als eerste prijs, relatief vaker positief. Ouderen (50+) beoordelen de effecten van het aannemen van beroepskrachten en het inroosteren van bardiensten voor alle leden relatief vaak als positief.

Bij een aantal maatregelen is de non-respons bij de vragen over de lange termijn aanzienlijk hoger, waarschijnlijk omdat de deelnemers er moeite mee hadden om de lange termijn effecten van deze maatregelen in te schatten, bijvoorbeeld: NOC*NSF adviesrapport ‘Goed Sportbeheer’ in praktijk brengen (n=79) en Lagere contributie voor vrijwilligers (n=85).

Het mag duidelijk zijn dat hoe het aantal vrijwilligers kan worden beïnvloed door organisatie maatregelen een heel ingewikkelde vraag is. De score zoals hier gerapporteerd is minder interessant dan de redenering erachter. Het lopende onderzoek richt zich dan ook op deze redeneringen. Maar, in de praktijk wordt geëxperimenteerd met de maatregelen uit de enquête terwijl het ons ontbreekt aan inzicht in welke vorm maatregelen goede effecten zullen geven. Het is wel evident dat de toekomst van vrijwilligerswerk vraagt om maatregelen. Met vallen opstaan zal moeten blijken wat wel of niet werkt