Waarom visuele training ook bij hockey?

Wat veel mensen wellicht niet weten is dat onze handen in onze eerste levensjaren juist onze ogen sturen en niet andersom. We voelen waar iets is in de ruimte, kunnen dan onze ogen erop richten (fusie-maken) en vervolgens registreren welke spierbeweging daarvoor nodig was. Door herhaling en onbewust registreren zijn we na verloop van tijd in staat alleen aan de hand van de oogspierinformatie te weten waar iets in de ruimte is. Dit proces noemen we ‘lokalisatie’. Vanaf het moment dat we lokalisaties kunnen maken in de ruimte zijn we ook in staat om onze eigen hand in de ruimte naar een object te sturen om het te pakken of aan te raken zonder bij dat proces onze tast te gebruiken. We hebben van tevoren visueel bepaald waar we met onze hand in de ruimte moeten zijn.

Het nauwkeurig leren bewegen van onze handen wordt bepaald door:
a.  het visuele systeem
We beschikken over twee soorten visuele waarnemingen:

  • een statische: die kun je controleren met behulp van een oog-kaart
  • een dynamische: die gebruik je als je naar bewegende objecten kijkt.

Zelfs als je over een heel goede statische visuele waarneming beschikt, zul je niet in staat zijn om snel bewegende ballen goed te zien.

b.  het niveau van integratie tussen Oculo-motoriek en algemene motoriek
Het ‘zien’ is een aangeleerd proces, net als leren lopen, fietsen zwemmen, enzovoorts. Je moet ook leren zien. Bij de meeste mensen ontwikkelt dit proces zich spontaan, maar toch kan het nodig zijn om er extra voor te oefenen om zo betere resultaten te krijgen. Daarvoor is het nodig dat de ogen worden gecontroleerd of ze wel goed functioneren. Een opticien moet testen uitvoeren om te achterhalen of:

  • de ogen scherp genoeg zijn;
  • de ogen goed samen werken;
  • er sprake is van een dominant oog; zo ja, welk oog;
  • de persoon goed diepte ziet;
  • de persoon kleurenblind is, enzovoorts.

Sport is all about the visual. The eye sees, the brain interprets and leads, and the body follows. Vision directs the intelligent movement of the body (the eyes lead the body)

Wat gebeurt er bij een waarneming?

  1. De ogen nemen een voorwerp waar.
  2. Het beeld van het voorwerp wordt gereflecteerd op het netvlies.
  3. De oogzenuw stuurt een elektrisch signaal naar de hersenen.
  4. Daar wordt het beeld van het voorwerp al dan niet herkend: wij zien het voorwerp!

Staat het object stil, dan vindt de herkenning direct plaats: een statische visuele waarneming.
Beweegt het object, dan vindt de herkenning niet direct plaats: een dynamische visuele waarneming (Dynamic Vision).

Bij het kijken naar een bewegend object is het een ander verhaal. Er is dan sprake van een vertraging. Er verstrijkt tijd tussen het waarnemen en het zien. Bij bewegende beelden duurt dat bij goed getrainde sporters 0,5 tot 0,6 sec. Dit heet ‘zicht vertraging’ (delay of perception).

De dynamische visuele waarneming van een mens beperkt zich tot snelheden van 3–30 km/u. In het dagelijks leven is onze waarneming binnen deze snelheidsmarges effectief, maar onvoldoende bij het uitoefenen van de meeste sporten. Bij het sporten gaan de voorwerpen sneller dan 30 km/u, daarom is het trainen en verbeteren van de Dynamic Vision een must om beter te kunnen sporten. Hoe korter deze zicht vertraging, des te beter kun je reageren op en een betere inschatting maken van het bewegende object.

Foto: KNHB/Willem Vernes

Denk bijvoorbeeld aan autorijden. Daarbij lijkt het door die vertraging alsof wij nog een grotere afstand moet afleggen tot het voorwerp dat wij zien. De vertraging in de Dynamic Vision in combinatie met de snelheid van de auto veroorzaakt vaak ernstige ongelukken c.q. kettingbotsingen.

Visuele training, waarom bij sport?
Omdat:

  • 80-90% van de beslissingen die in de sport worden genomen gebaseerd zijn op visuele informatie.
  • 70% van het brein betrokken is bij de verwerking van de visuele informatie.
  • Ogen gevoelig zijn voor stress; onder stress verliezen wij controle over:
    • onze ademhaling;
    • hoe wij bewegen;
    • maar ook over wat wij ZIEN; dan moeten wij leren te focussen en te concentreren.
  • Ogen eerder vermoeid raken dan het lichaam. Het oog wordt geleid door de oogspiertjes. Die moeten worden getraind, anders worden ze snel moe en vermoeide ogen hebben een negatieve invloed op de prestatie. Als je ogen moe worden, worden je hersenen ook moe en slaperig, met als resultaat dat je lichaamsspieren traag worden evenals je reactietijd en je vermogen om de juiste beslissingen te nemen. De ogen leiden het lichaam en het lichaam kan niet goed bewegen wanneer de ogen dit niet meer voldoende kunnen dicteren.

Bij sport wordt getraind onder mentaal ideale omstandigheden. De stress van wedstrijden wordt niet getraind. Terwijl stress de samenwerking tussen waarneming en handeling op negatieve wijze beïnvloedt. Hoe zit dat? De beslissing om een bepaalde techniek te gebruiken wordt niet genomen door hetzelfde deel van het brein dat de waarneming van het spel en/of de bal verwerkt. De training om die beslissing te verbeteren toont de door ons team (Koppelaar, H., Kordestani-Moghadan, P., Khan, K., Kouhkani, S., Segers, G. & Van Warmerdam, M.) gevonden bi-stabiliteit.

De samenwerking tussen die twee hersendelen wordt geoptimaliseerd door training. Echter, door stress wordt die door training geoptimaliseerde samenwerking verstoord. Bijvoorbeeld bij het waarnemen van een bal. Bij stress worden andere hersendelen ingeschakeld, afhankelijk van wat de stresscontext is. De werkingen van andere delen vertragen de impuls naar de spierbewegingen die daardoor worden vertraagd. Dat gaat zo ver dat oogbewegingen hectischer worden: “Zie ik wel alles?”, “Wat doet die tegenstander daar?” Het mooie van de Dynamisch Visuele trainingen is dat die hectiek afgetraind wordt. Daardoor is de blik rustiger en de timing van handelingen ook onder stress sneller. De stress is zelfs minder.

Het waarnemen van de bal is niet aangeboren, maar met training kan het worden verworven en verbeterd. De waarneming bepaalt hoe snel de bal beoordeeld en gespeeld kan worden. De vaardigheid om de bal vroeg te zien, is één van de belangrijkste vaardigheden die een sporter kan bezitten. Rekening houdend met de vertraging in de menselijke waarneming is het trainen en verbeteren van de Dynamic Vision onvermijdelijk indien je nog beter wilt sporten. De zicht vertraging is een belemmering bij het sporten.

De waarneming bepaalt hoe snel de bal beoordeeld en gespeeld kan worden

A. Iets doen aan het vroegtijdig zien van objecten (proberen de zicht vertraging te verkorten) en daarna de reactie op het zien versnellen
Wat doen wij zoal? Trainen met ballenkanonnen! Hierdoor wordt de Dynamic Vision niet aanmerkelijk verbeterd, maar raakt de sporter alleen meer gewend aan de snelheid van de bal.
Natuurlijk is het zo dat sommige sporters door hun concentratievermogen profijt hebben van deze oefeningen, waardoor uiteindelijk ook een verbetering in hun dynamisch visuele waarneming wordt gerealiseerd.

Deze oefeningen worden hoe langer hoe moeilijker als de bal steeds hogere snelheden bereikt. Sporters spelen met een voorgevoel en geloven erin dat door hun ervaring hun concentratievermogen verbetert waardoor ze een goede dynamisch visuele waarneming handhaven. Echter, indien sporters hun reactietijd ten opzichte van de bewegende objecten kunnen verkorten en zich nog beter kunnen concentreren op hun visuele waarneming, zullen ze in staat zijn om heel snel bewegende ballen nog beter te zien. Wanneer de spelers meer ‘zien’, dan kunnen ze de situatie veel sneller beoordelen en daardoor betere beslissingen nemen.

Trainingsoefeningen
Oefening 1: speler Rood zonder bal doet na wat speler Groen met bal doet
Oefening 2: speler Rood met bal doet na wat speler Groen met bal doet

Oefening 1: Rood zonder bal doet wat Groen met bal doet    Oefening 2: Rood doet met bal wat Groen met de bal doet

Oefening 3a: gebruikmaken van fitLight trainer (6 fitLight lampen zitten op pylonen)

  • Pylonen staan op dezelfde hoogte, 1 meter uit elkaar.
  • Speler staat precies in het midden en kijkt recht naar voren naar gele, lage pylon.
  • Eerste lamp gaat aan, speler moet de lamp zo snel mogelijk uitmaken.
  • Deze oefening is zo ingesteld dat je werkt met een Dynamic Delay (er zit een wisselende vertraging in); de sporter kan dus niet wennen aan de vertraging omdat deze steeds anders is.
  • Oefening duurt bijvoorbeeld 1 minuut: hoeveel lampen maakt de sporter uit binnen die minuut?
  • Wat is de gemiddelde reactietijd van de speler?

Foto: Gijs Segers – oefening 3a

Oefening 3b-3c: gebruikmaken van fitLight trainer: 6 fitLight lampen zitten op statieven

Foto: Gijs Segers-oefening 3b                                         Foto: Willem Vernes-oefening 3c

Alternatieven voor de fitLight die op de markt zijn:

  1. REAX lights
  2. Blazepod Kit
  3. SMARTCLIPS

Dynamisch visuele vaardigheden kunnen verbeterd worden net als de spieren van je lichaam.

B. Door training van de dynamisch visuele vaardigheden bij sport kun je de handelingssnelheid van de sporter vergroten
De dynamisch visuele waarneming bij sport (Sport Vision) bestaat uit verschillende visuele vaardigheden van de mens:

Dynamic Visual Acuity (DVA) dynamische zicht scherpte
Het vermogen om zich op een bewegend voorwerp te blijven focussen ondanks het feit dat men zelf van positie verandert.

Eye tracking 
Het vermogen om bewegende voorwerpen te volgen, het vermogen om ‘je ogen op de bal te houden’, ongeacht hoe snel de bal gaat.

Eye Focus
Het vermogen om de focus te veranderen, snel en accuraat van het ene naar het andere object (op afstand).

Peripheral Vision – perifere visie
Je kunt waarnemen wat er aan beide kanten van jezelf gebeurt zonder dat je met je hoofd hoeft te draaien of te wel het zien van mensen en objecten ‘uit je ooghoeken’ terwijl je je concentreert op een vast punt recht voor je.

Fusion flexibility and endurance – flexibiliteit om samen te werken en uithoudingsvermogen
Het vermogen om beide ogen samen te laten werken, zelfs bij hoge snelheid en fysiek stressvolle situaties.

Depth Perception – dieptewaarneming
Het vermogen om de afstand en de snelheid van bewegende voorwerpen goed in te schatten.

Central Field Awareness
Het vermogen van je ogen om zich te fixeren op het voorwerp wat op dat moment voor je is. Dit heeft invloed in het algemeen op je alertheid gedurende het spel.

Decision Making
Het vermogen om constant correcte keuzes te maken gedurende stressvolle situaties. Dit maakt het verschil uit of je wint of verliest met je team.

Split attention ofwel Multitasking 
Het vermogen om je te concentreren op je hoofdtaak terwijl je tegelijkertijd bezig bent met de uitvoering van een bijkomende opdracht.

Eye/Hand or Eye/Foot Coördination
Het vermogen van het visuele waarnemingssysteem om de informatie die door de ogen wordt verkregen te controleren, te begeleiden en de handen (c.q. voeten) te sturen om een bepaalde taak te volbrengen (bijvoorbeeld het vangen van een bal, trappen van een bal, aannemen van een bal bij hockey, et cetera). Of: de vaardigheid om je visuele informatie snel te verwerken en als reactie hierop nauwkeurige handbewegingen te maken.

Door training van deze visuele vaardigheden wordt de handelingssnelheid van de spelers aanmerkelijk vergroot en daardoor wordt het spel sneller!

Trainingsoefeningen Dynamisch visuele basis
Al de visuele kenmerken hebben een beslissende invloed op je totale sportprestatie. Als je in staat bent om meer van deze aspecten te verbeteren naar een hoger niveau, dan zul je zien dat de handelingssnelheid snel beter wordt.

Oefening 4: Dynamic Visual Acuity (zicht scherpte)

  • Tweetallen overspelen terwijl men allebei in beweging is.
  • Gebruik een focus bal (foto): bij het aannemen van de bal moet je de kleur/vorm roepen van wat je ziet op het moment van aanname.

Foto: Gijs Segers-focus bal                            Foto: Gijs Segers-focus bril

Oefening 5: Central Field Awareness – met de focus bril

  • Tweetallen: speler 1 staat klaar op 3 meter van de Crazy Catch of Bounce Back2, speler 2 met focusbril op met gezicht naar de Bounce Back2 of Crazy Catch.
  • Speler 2 staat 3 meter zijdelings achter speler 1; speler 2 speelt de bal tegen de BB2 of CC; speler 1 probeert de bal goed aan te nemen.
  • Van gemakkelijke naar moeilijkere ballen, zodat speler 1 steeds meer moet bewegen om de bal aan te nemen.

Foto: Gijs Segers-oefening 5

Oefening 6 – Eye Focus

  • Drietallen: speler 1 en 2 hebben een bal, wisselen van positie en afstand tot speler 3.
  • Zij spelen om beurten een bal naar speler 3; speler 3 moet deze bal aannemen en terug spelen.

Oefening 7a – Decision making (keuze maken)

  • Drietallen – 2x Bounce Back (BB) of Crazy Catch; opstelling: Bounce Back – speler 2 – Bounce Back.
  • Speler 3 passt naar speler 1.
  • Als speler 1 bezig is om die bal aan te nemen roept speler 2 waar speler 1 de bal naar toe moet spelen. (tegen de 1e BB, of naar speler 2, of naar de 2e BB); speler 1 krijgt de bal terug, neemt de bal aan en passt door naar speler 3.
  • Deze uitvoering 5 keer – daarna doorschuiven met de klok mee.

Oefening 7a-Decision making

Oefening 7a                                                                                                         Foto: Willem Vernes-oefening 7a

Foto: Gijs Segers-Bounce Back2

Oefening 7b – Decision making
Speler staat met bal klaar voor de drie BounceBacks (BB); op de BounceBacks zitten fitLight lampen die uit zijn.

  • Oefening start door de startknop van de fitlight in te drukken.
  • Er gaan drie lampen aan: twee lampen rood een lamp wordt groen.
  • De speler moet de bal tegen de BB spelen waarvan de lamp groen wordt; dan gaan alle lampen uit.
  • Daarna gaan alle drie de lampen weer aan, maar ze kunnen van kleur gewisseld zijn.
  • Variatie: hoeveel lampen kun je uitmaken in 1 minuut en wat is de gemiddelde reactietijd van de speler?

Foto: Gijs Segers-oefening 7b

Oefening 8 – Split attention (aandacht verdelen)

  • Drietallen en speler 2 en 3 hebben een bal; speler 2 en 3 positioneel bewegend tot ongeveer 90 graden ten opzichte van speler 1; bijvoorbeeld speler 2 passt naar speler 1, speler 1 moet deze bal aannemen en terugspelen.
  • Speler 2 kan kiezen om dan weer naar speler 1 te passen of speler 3 passt een bal op speler 1 (in de tussentijd moet speler 1 constant de niet-passende speler in de gaten houden).
  • Variaties: opdrachten toevoegen!

Oefening 8-split attention

Oefening 9 – Fusion flexibility

  • Drietallen; afstand tussen speler 1 en speler 2 is 20 meter: speler 1 passt de bal (slaat, flatst) naar speler 2.
  • Speler 3 stapt in de passlijn en laat de bal tussen zijn benen doorgaan of doet net alsof hij de bal onderschept.
  • Afwisselende afstanden van speler 3 ten opzichte van speler 1 bijvoorbeeld 5-10-15 meter.
  • Op het moment van hinderen van speler 3 krijgt speler 2 een ‘break’ op het zicht van de bal; speler 2 is de bal even kwijt.
  • Hoe sneller speler 2 herstelt van die ‘break’, hoe eerder hij weer goed zicht heeft op de bal, hoe beter hij de bal kan aannemen.
  • Ook ideaal te trainen met behulp van een ballenkanon!

Oefening 9-fusion flexibility

Oefening 10 – Hand(stick)/Eye coordination (oog/hand-stick coördinatie)
Deze oefeningen ontwikkelen de oog/hand-coördinatie en verbeteren gelijktijdig je vermogen om split-second beslissingen te nemen.

  • Staan in ready stand, dan een reaction ball op de grond gooien en daarna vangen.
  • Naar believen uitbouwen van makkelijk naar moeilijk.
  • Werpen en vangen samen met een partner; terwijl je dat doet beweeg je naar je partner toe of ervan af.
  • Met meerdere ballen, tennisballen; zo gauw de speler een bal vangt, wordt de volgende bal gegooid.

Foto: Gijs Segers-variatie aan materiaal

Oefening 11 – Eye tracking (met je oog volgen)

  • Drietallen: speler 2 en 3 spelen de bal naar elkaar en blijven dit een tijdje doen.
  • Speler 1 staat precies tussen deze 2 spelers in, maar ook nog 2 meter naar achteren.
  • Speler 1 staat stil in de ready stand en houdt zijn hoofd stil: het enige dat hij moet doen is de bal volgen met zijn ogen terwijl hij zijn hoofd stilhoudt!
  • Variatie: op een teken onderbreekt speler 1 de passing en neemt de bal aan met forehand of backhand.

Oefening 11-eye tracking

Oefening 12a – Peripheral vision (perifere visie)

  • Drietallen: dezelfde beginsituatie als bij oefening 11: nu staat de speler op 1 meter van de ballijn, dit kun je al oefenend groter of kleiner maken.
  • Speler 3 kijkt recht naar voren naar een pylon.
  • De andere spelers pushen, slaan een bal naar elkaar en speler 3 onderschept de bal van speler 1 naar speler 2 terwijl hij recht naar voren blijft kijken naar de pylon.
  • Na onderschepping speelt speler 3 de bal door naar speler 2, enzovoorts.

Oefening 12b – Peripheral vision

  • Drietallen; 4x Bounce Back2 (afstand BB2’s: 2/4/6/8/10 meter).
  • Speler 1, 2 en 3 staan met bal midden tussen de BB2 in; ze kijken naar de oranje pylon.
  • De bal ligt voor de speler: ze voeren een Indian dribbel uit; op signaal van de trainer spelen ze de bal opzij tegen de BB2, maar ze blijven kijken naar de pylon.
  • De bal komt terug van de BB2, die nemen ze aan terwijl ze naar de pylon blijven kijken.
  • Ze voeren Indian dribbels uit totdat er weer een commando komt van de trainer, terwijl ze blijven kijken naar de pylon.

 

Foto: Willem Vernes-oefening 12b (foto 1-2-3) Bij de uitvoering (foto 2+3) blijft de 3e speler (Mascha, achteraan) gedurende haar hele actie naar de oranje pylon kijken! De andere 2 spelers (Hester + Tessa, op de voorgrond) gaan op safe!

Wat te doen!?
Onze visuele waarneming wordt slechter of beperkter als wij te maken krijgen met objecten met een hoge snelheid. Als wij nu zorgen dat het lijkt alsof een bewegend object stilstaat, dan kunnen wij het beter zien! Jaren geleden is er gebruik gemaakt van een reeks knipperende stroboscooplampen om sporters te laten trainen op erg snel bewegende objecten in verschillende disciplines van sport. Door deze lampen leek het erop alsof de daadwerkelijk bewegende ballen niet bewogen. Men was in staat om tien stilstaande ballen te zien als de stroboscooplamp knipperde met een frequentie van tien keer per seconde.

In die situatie: als je naar de niet bewegende beelden kijkt, doet het er niet zoveel toe dat er sprake is van de eerdergenoemde zicht vertraging, omdat je de bal nu heel duidelijk kunt zien. Het resultaat is dat voor je gevoel de bal veel langzamer beweegt dan in werkelijkheid het geval is. Een stilstaande bal is veel duidelijker waarneembaar dan een bewegende bal en deze methode is zeer effectief voor iedere sport waarbij het een vereiste is dat je snel bewegende objecten moet kunnen zien.

Echter, voor dit soort trainingen heb je een speciale donkere ruimte nodig. Bovendien kunnen sporters alleen beperkte objecten, zoals ballen, waarnemen. Het grootste manco van deze methode is echter dat de omgeving waarin de sporter traint volledig afwijkend is van de omgeving waarin hij daadwerkelijk sport.

Wij moeten dus op zoek naar iets waardoor de hersenen de bewegende bal interpreteren als een stilstaande bal. Dat iets is de stroboscopische bril (SB). Dit is een bril waarvan de glazen voorzien zijn van een Liquid Crystal Display (LCD) uitgerust met een aantal sluiters dat al naar gelang van het merk bril met een bepaalde frequentie per seconde kan knipperen.

Terwijl de bril knippert, ben je bijvoorbeeld in staat om bij hockey de bal die door de medespeler of tegenstander wordt gespeeld veel duidelijker te zien, zelfs als de bal met hoge snelheid nadert.
Als gevolg van het knipperende LCD in de glazen van de bril, interpreteren de hersenen de bewegende bal als een stilstaande bal. En terwijl de echte, bewegende beelden van de bal door de sluiters van het LCD worden afgesloten, blijft het bewegingsspectrum van de bal in de hersenen bewaard.

Foto: Willem Vernes

Onze visuele waarneming wordt slechter of beperkter als wij te maken krijgen met objecten met een hoge snelheid

Wat doet de stroboscopische bril?
De Shutter-bril vermindert het aantal beelden die de hersenen per seconde ter beschikking staan om te verwerken en vervolgens in sporthandelingen om te zetten. Bij bepaalde instellingen staan de sporter per seconde minder beelden ter beschikking op het moment dat hij de bril op heeft.

Men is in staat om tien stilstaande ballen te zien als de shutter-bril knippert met een frequentie van tien keer per seconde. Dus als je nu naar de niet bewegende beelden kijkt, doet het er niet zoveel toe dat er sprake is van de eerdergenoemde zicht vertraging, omdat je de bal nu heel duidelijk kunt zien. Het resultaat is dat voor je gevoel de bal veel langzamer beweegt dan in werkelijkheid het geval is. Een stilstaande bal is veel duidelijker waarneembaar dan een bewegende bal en deze methode is zeer effectief voor iedere sport waarbij het een vereiste is dat je snel bewegende objecten moet kunnen zien.

Effect stroboscoopbril

Hoe reageren de hersenen op deze situatie bij normale sportbewegingen?
De hersenen moeten sneller reageren op een binnenkomend beeld. Er zijn minder beelden beschikbaar en de pauzes tussen de beelden zijn langer (in de pauzes ziet de sporter niets). Dit betekent dat tussen twee binnenkomende beelden zich de situatie sterker heeft veranderd dan wanneer je geen bril op zou hebben.

Effect stroboscoopbril-2

Daar de pauze tussen twee beelden langer is, moet de sporter beter visualiseren wat er in de tussentijd is gebeurd. Hij moet ‘het gat’ in zijn waarneming invullen door te visualiseren (het vertalen van een gedachte naar bijvoorbeeld een beeld). Om geen prestatieverlies te krijgen, moet de sporter zich voorstellen wat er direct kan gebeuren. Hij moet adequaat reageren en anticiperen op de ontstane situatie.

Wat is het doel met betrekking tot de sporter?
Dit betekent dat de sporter leert om, met minder beelden (informatie) per tijdseenheid, sneller op een situatie te reageren. Hij heeft minder beelden nodig om te verwerken en vervolgens in sporthandelingen om te zetten. Zet de sporter de bril af, dan heeft hij weer meer en preciezere beelden (informatie) ter beschikking. Wat hij nu echter merkt is dat hij niet alle informatie nodig heeft. Daarom hebben veel sporters het gevoel dat wat er gebeurt schijnbaar langzamer verloopt of dat zij meer tijd hebben om te reageren.

Foto: Willem Vernes

C. De sporter leert om minder beelden (informatie) per tijdseenheid nodig te hebben om adequaat op de situatie te kunnen reageren

D. De sporter leert om sneller te anticiperen op de veranderde situatie

Oefening 13a

  • Twee Bounce Backs – 1 bal – 2 spelers: speler 1 speelt de bal tegen de BB.
  • De terugkomende bal moet ineens teruggespeeld worden tegen de BB door speler 2.
  • Uitvoering: zonder bril, met bril.
  • Variatie:
    • technieken voorschrijven
    • instellingen bril van makkelijk naar moeilijk!

Foto: Gijs Segers-oefening 13a

Oefening 13b

  • Twee-, drie- of viertallen; 4x Bounce Back2, elke BB2 heeft een nummer; 1 of 2 spelers links van de BB2 en 1 of 2 spelers rechts van de BB2.
  • Iedere speler heeft minimaal 2 BB2 toegewezen gekregen en heeft een bal; de spelers voeren Indian dribbels uit.
  • De trainer noemt het nummer van de BB2 waar de spelers de bal tegenaan moeten spelen.
  • Deze bal komt terug en moet correct worden aangenomen.

De trainer kan variëren in:

  • passtechniek, aannametechniek en qua snelheid.

Foto: Willem Vernes-oefening 13b-1                                         Foto: Willem Vernes-oefening 13b-2

Oefening 14

  • Drietallen: speler 1 dribbelt recht vooruit; als speler 1 een paar meter heeft gedribbeld, sprint speler 2 naar de volgende pylon.
  • Speler 1 speelt de bal in de loop van speler 2, die de bal aanneemt en richting die pylon dribbelt.
  • Speler 2 rondt die pylon; op dat moment start speler 3; speler 2 speelt de bal in de loop van speler 3.
  • Alle spelers schuiven op naar de volgende pylon.
  • Variaties: in pass- en/of aannametechniek.

Oefening 14

Oefening 15

  • Speler 1 gooit de bal hard in de Crazy Catch; speler 2 kijkt naar de bal die uit de CC komt en bepaalt waar deze bal gaat landen.
  • Speler 2 loopt in, vangt de bal op met de stick, brengt hem onder controle en speelt hem naar speler 1.
  • Speler 2 en 3 wisselen elkaar af;  een paar maal zonder SB en dan met SB; ook met wisselende instellingen al naar gelang het doel dat je hebt als trainer.

Oefening 15

Oefening 16

  • Drietallen: alle drie in beweging, bal naar elkaar toe passen, 1 bal.
  • Eerst zonder stroboscopische bril (SB), daarna met wisselende instellingen en tot slot weer zonder SB.

Foto: Willem VernesOefening 17 – strafcorner trainen met stroboscopische bril

Foto: Gijs Segers: 1) stoppen strafcorner, 2) lijnstop trainen, 3) keeperstraining

Tot slot
Alle trainingsoefeningen die je doet kun je ook met de stroboscopische bril doen. Dit geeft een verzwaring van de oefening. Door de mogelijkheden van de bril, qua instellingen, kun je elke oefening steeds moeilijker maken. Je kunt qua moeilijkheidsgraad situaties creëren die in wedstrijden nooit voorkomen. Je hebt de meest ideale overload mogelijkheid ter beschikking.

Met dank aan:

  • Prof. Dr. Henk Koppelaar en Optometrist Martin van Warmerdam.
  • KNHB Fotograaf Willem Vernes.
  • Speelsters Hester, Mascha, Tessa, Demi, Julia, Freeke, Shihori en Fleur.

Literatuur

  • Hockeyvisie
Bekijk alle hockey visies

Deel deze pagina