Oog voor techniek in spelgericht trainen

In eerdere Hockeyvisies is aandacht besteed aan de visie op Spel & Spelontwikkeling (S&SO) van de KNHB. In deze visie staan drie onderdelen centraal: Spelgericht trainen, Motorisch leren en Motivatie & Feedback. De KNHB blijft kennis over deze drie deelaspecten ontwikkelen en verdiepen. Dat heeft onder andere geleid tot drie artikelen voor Hockeyvisie die deze deelaspecten beschrijven (zie bronnen).

In dit artikel wordt ingezoomd op het trainen van hockeytechnische vaardigheden in relatie tot het spelgericht trainen. Naast het benoemen van uitgangspunten die resulteren in een relationeel bewegingsconcept (een opvatting over bewegen, waarbij men kijkt naar het handelen van mensen, in die zin dat zij in het bewegen onlosmakelijk verbonden zijn met de omgeving en betekenissen onderkennen en realiseren) wordt als voorbeeld toegelicht hoe een andere sportbond het aanpakt. Vervolgens is er aandacht voor de onderbouwing van deze visie en wordt er ingegaan op enkele hulpmiddelen voor de trainer/coach: het Schema Doelspel Hockey (SDH), het model Training geven en techniekdomeinen. Daarbij wordt een aantal voorbeelden van trainingsvormen gegeven dat past bij deze visie, waarbij ook voorwaarden voor de trainer worden geformuleerd. Resultaat van de praktische vertaling van deze visie is dat de training voor zowel de spelers als de trainer leuker en zeker wedstrijdsituatiever is/wordt.

Bron: Willem Vernes

Handelingstheoretische benadering en het ‘Train-the-Game’-principe
De handelingstheoretische benadering baseert zich op de wisselwerking tussen een individu en zijn omgeving. Het menselijk bewegen en dus ook het spelen, is een wijze van zinvol betrokken zijn op de wereld om ons heen. Van daaruit ontstaat een relationeel bewegingsconcept waarin het spelend leren hockeyen centraal staat. In onze ogen dient er zoveel mogelijk vanuit de context van het spel getraind te worden, waarbij de techniek een middel is om tot speloplossingen te komen, het zogenaamde ‘Train-the-Game’-principe.

In eerdere publicaties wordt ook uitgegaan van dit bewegingsconcept. Zo stelt Sjef Peeters in zijn artikel ‘De kracht van het opleiden, ontwikkelingen door de jaren heen’ dat “we de klassieke trainingsmethodiek voor het aanleren en verbeteren van technische vaardigheden – waarbij we de bal van A naar B, van B naar C en van C naar D spelen – moeten loslaten. Dit zogenaamde ‘kegelhockey’ leidt zeker niet tot het zelfstandig maken van keuzes, het bevorderen van spelintelligentie en het bevorderen van technische oplossingen door de spelers zelf.” Deze gedachtegang wordt eveneens benadrukt door Horst Wein, die in zijn boek ‘Spielintelligenz im Fußball – kindgemäß trainieren’ spreekt over het ‘trainen van spelintelligentie’.

Uitgangspunten
Om binnen de jeugdopleidingen de technische ontwikkeling binnen het spelgericht trainen goed vorm te kunnen geven gaan we uit van de onderstaande uitgangspunten:
• Maak zoveel mogelijk gebruik van impliciet leren in spel- en wedstrijdvormen, maar maak gebruik van expliciet leren als dat noodzakelijk is voor de ontwikkeling van spelers/speelsters.
• Naast het aanbieden van spel- en wedstrijdvormen wordt het werken met oefenvormen – waarbij aandacht is voor technische vaardigheden – zeker niet uitgesloten.
• Houd rekening met de verschuiving van de hoeveelheid aandacht voor techniektraining binnen de verschillende leeftijdscategorieën. Over het algemeen is het aan te raden om bij de jongere leeftijdscategorieën in verhouding meer aandacht te geven aan de technische ontwikkeling van de spelers/speelsters, naast het trainen volgens het ‘Train-the-Game’-principe. Hier wordt tenslotte de technische basis gelegd voor de verdere (spel)ontwikkeling.
• Het verderop beschreven ‘Model Training geven’ is een handzaam model waarmee trainingsvormen kunnen worden ontworpen die passen bij de visie op Spel & Spelontwikkeling.

Aanpak van een andere sportbond
Een voorbeeld van een sportbond die ook uitgaat van handelingstheoretische uitgangspunten is het Koninklijk Nederlands Korfbalverbond (KNKV): “Als we het over korfbal hebben, dan gebruiken we korfbaltaal en dit is een actietaal. Dat betekent dat wanneer we korfbal beschrijven het niet zozeer over lichaamsbewegingen gaat, maar over acties die we uitdrukken in werkwoorden: aanvallen, verdedigen, afvangen, samenspelen, hinderen en onderscheppen. Deze acties hebben altijd en alleen betekenis in de context van het korfbalspel met haar spelregels. Daarnaast wordt het woord ‘techniek’ zo min mogelijk gebruikt. De opvatting die hierbij hoort is dat de techniek van een schot of een andere korfbalactie alleen in theorie bestaat. Het gaat bij techniek om een uitvoering die gebaseerd is op de biomechanica. In het verleden bepaalde deze kennis van de biomechanica de oefenvormen in de training. Schieten, werpen en vangen hadden weinig gemeen met omstandigheden die horen bij de acties in de wedstrijdsituaties. Ze werden droog geoefend. De isolatie van een technische beweging (bijvoorbeeld het werpen) gebeurde dan langdurig in een eenvoudige oefening: spelers tegenover elkaar die de bal op een voorgeschreven manier naar elkaar werpen. De informatie die de spelers krijgen in die gelijkblijvende trainingssituatie, is beperkt en veel van hetzelfde. De wetten en regels van de techniek staan te centraal en de aandacht is tijdens deze trainings-drill daarop gefixeerd. Het oplossend vermogen van spelers, dat nodig is in de wedstrijdsituatie, wordt daardoor beperkt. Sterker nog, het wordt nauwelijks ontwikkeld. In plaats van technieken gebruiken we vaardigheden. Hiermee wordt bedoeld dat iedereen in een individuele vorm korfbalacties leert uitvoeren, die effectiever blijken in een wedstrijdsituatie. Het leren van korfbalvaardigheden in een variabele leersituatie, waarbij de wedstrijdomstandigheden zijn nagebootst, biedt de speler de mogelijkheid om zijn vaardigheden flexibel aan te passen aan die wedstrijdomstandigheden. De kennis van de wetten en regels van de biomechanica zijn nuttig voor de trainer/coach wanneer het gaat om de uitvoering van korfbalacties te verbeteren, zonder de ideale techniek op te leggen. De aanwijzingen van de trainer/coach tijdens het oefenen van korfbalvaardigheden in oefeningen die lijken op de situaties in de wedstrijd, kunnen/moeten gebaseerd zijn op deze kennis.”
(Bron: Crum, B. Eenvoudige korfbalvormen en helden van nu. KNKV, juli 2014).

Bron: Frank Reelick

Onderbouwing van de spelgerichte aanpak
Het resultaat van een beweging wordt bepaald door 1) de speler zelf, 2) de taak die de speler moet uitvoeren en 3) de omgeving waarin de beweging wordt uitgevoerd (figuur 1). De samenhang tussen deze aspecten maakt beweegoplossingen en het maken van keuzes mogelijk en noodzakelijk. Als trainer is het de kunst om invloed uit te oefenen op deze drie aspecten, met als doel om spelers steeds beter en sneller keuzes te laten maken in steeds complexere situaties.

Figuur 1: Aspecten voor een succesvolle beweging

Een interessante vraag om te stellen is in welke omgeving een sport zich afspeelt. De manier van trainen hangt namelijk sterk af van de omgeving waarin een sport beoefend wordt. Bij turnen bijvoorbeeld staat de omgeving vast. De balk blijft staan waar die staat en de mat blijft liggen waar die ligt. In het turnen worden dan ook voornamelijk gesloten vaardigheden getraind. Dit zijn vaardigheden waarbij de omgeving onveranderlijk is. Topturners als Epke Zonderland en Sanne Wevers weten vóórdat ze een oefening beginnen al precies wat ze gaan doen en proberen de oefening zo perfect mogelijk uit te voeren. Het hockeyspel daarentegen bestaat voornamelijk uit open vaardigheden en tijdens dit spel gebeurt nooit twee keer exact hetzelfde. Door de tegenstanders, het weer, type veld en medespelers moet er voortdurend ingespeeld worden op datgene wat de omgeving vraagt. Het gaat dus niet zozeer om de perfecte beweging, maar om het zoeken naar oplossingen in voortdurend wisselende situaties. Dit betekent dat het houden van overzicht, het maken van de juiste keuze en deze keuze uitvoeren met een passende techniek belangrijke factoren zijn om speluitdagingen in het hockeyspel te kunnen oplossen. Kortom, het gaat om handelingssnelheid.

Bron: Willem Vernes

Het hockeyspel daarentegen bestaat voornamelijk uit open vaardigheden en tijdens dit spel gebeurt nooit twee keer exact hetzelfde

Hulpmiddelen voor de trainer
Het Schema Doelspel Hockey (figuur 2) wordt als uitgangspunt genomen voor het model Training geven (figuur 3) dat later in dit artikel wordt behandeld.
Hier volgt een korte toelichting hoe het Schema Doelspel Hockey gelezen dient te worden.

Figuur 2: Schema Doelspel Hockey

Het hockeyspel is te vereenvoudigen tot balbezit (BB), niet-balbezit (NBB) en omschakelen (OS: BV= balverlies en BW= balwinst). Tevens is er altijd sprake van een doel en een richting. Het doel van het hockeyspel is het maken en voorkomen van een doelpunt. Inherent daaraan is dat er altijd in een bepaalde richting gespeeld wordt, namelijk richting het doel van de tegenstander.

Het Schema Doelspel Hockey is verdeeld in vier zones. In zone 1 staat de goal die je met jouw team verdedigt. In zone 4 staat de goal waarin je met jouw team wilt scoren. Dit betekent dat je in balbezit uitverdedigt/opbouwt in zone 1. Terwijl je in niet-balbezit in zone 1 de goal verdedigt als het spel zich daar afspeelt/de tegenstander daar de bal heeft.

Bron: Willem Vernes

Model Training geven
In het verlengde van het Schema Doelspel Hockey hebben we een model ontwikkeld (figuur 3) waarmee trainingsvormen ontworpen kunnen worden die in lijn staan met het hockeyspel (figuur 5). De speluitdagingen van een hockeywedstrijd zijn het startpunt van dit model. Vandaaruit wordt er terug geredeneerd naar de vaardigheden die nodig zijn om de speluitdagingen op te lossen. Hierdoor is er een logische relatie tussen de wedstrijd en de vaardigheden die je traint.

Figuur 3: Model Training geven

Stap 1: speluitdaging formuleren
Om een trainingsdoel te bepalen, beginnen we aan het eind: het uiteindelijke hockeyspel. De eerste stap is dan het formuleren van een speluitdaging die je in jouw training centraal zet. Het Schema Doelspel Hockey kan je daarbij helpen. Maak vanuit het Schema Doelspel Hockey een ‘screenshot’ binnen een bepaalde zone (figuur 4) en vraag je af: “Wat is het doel/de speluitdaging in dit gebied in balbezit, niet-balbezit of bij een omschakeling?” Neem bijvoorbeeld zone 4 in balbezit waarbij je over rechts aanvalt. De speluitdaging in dit gebied kan zijn om de bal de cirkel in te krijgen.

Figuur 4: Screenshot: speluitdaging = aanval over rechts in zone 4

Om een trainingsdoel te bepalen, beginnen we aan het eind: het uiteindelijke hockeyspel

Stap 2: vaardigheden bepalen die nodig zijn om de speluitdaging op te lossen
De volgende stap is om na te gaan welke vaardigheden nodig zijn om je geformuleerde speluitdaging op te lossen. Om in de vier zones effectief en succesvol te kunnen spelen zijn namelijk vaardigheden nodig. Dat kunnen technische en tactische vaardigheden zijn, maar ook mentale en fysieke vaardigheden. Hoewel een samenhang van technische, tactische, mentale en fysieke vaardigheden nodig is om speluitdagingen op te lossen, richten we ons in dit artikel enkel op hockeytechnische vaardigheden. Om te bepalen welke technische vaardigheden nodig zijn, heeft de KNHB een Kijkwijzer (figuur 5) ontwikkeld waarin zes techniekdomeinen (vijf in balbezit (BB) en één in niet-balbezit (NBB)) worden weergegeven, uitgaande van de drie hoofdcomponenten van het spel.

Balbezit:
1 Lopen met de bal
2 Passeren van de tegenstander
3 Aannemen van de bal
4 Passen
5 Scoren
Niet-balbezit:
6 Afpakken van de bal

Figuur 5: Kijkwijzer

Als we kijken naar de eerder geformuleerde speluitdaging bij stap 1 (aanval over rechts in zone 4) dan heb je te maken met kleine ruimtes, ben je vaak in ondertal en staan er verdedigers die je buiten de cirkel willen houden. Om de bal de cirkel in te krijgen, zijn o.a. passeertechnieken nodig en passes op/over korte afstand: liften, dummy, chop, reverse en een duwpass. Door na te gaan welke vaardigheden nodig zijn om een speluitdaging op te lossen, kun je gericht trainingsvormen ontwerpen. Welke trainingsvormen er zijn en hoe je die kunt ontwerpen wordt bij stap 3 beschreven.

Stap 3: ontwerp trainingsvormen
Nadat helder is welke speluitdaging/vaardigheden je wilt trainen, kun je trainingsvormen ontwerpen. In het model wordt onderscheid gemaakt tussen 1) een wedstrijdvorm, 2) een spelvorm en 3) een oefenvorm. In een wedstrijdvorm worden vaardigheden toegepast in de zone waarin de speluitdaging zich afspeelt. Je kopieert als het ware het eerder genomen ‘screenshot’ één op één naar het trainingsveld. In een wedstrijdvorm is altijd sprake van balbezit, niet-balbezit en omschakelen. Het doel is om de speluitdaging op te lossen, in de richting zoals dat in de wedstrijd ook gebeurt. Hieronder wordt een mogelijke wedstrijdvorm weergegeven die in lijn staat met de eerder geformuleerde speluitdaging in zone 4 (tekening 1).

Uiteraard zijn er meerdere variaties mogelijk om de trainingsvorm moelijker en/of makkelijker te maken.

Tekening 1: Voorbeeld wedstrijdvorm

Een eenvoudiger trainingsvorm is een spelvorm. Daarbij is ook altijd sprake van balbezit, niet-balbezit, omschakelen, een doel en een richting. Een spelvorm verschilt echter van een wedstrijdvorm omdat het niet (per se) in de zone getraind wordt waar de speluitdaging zich afspeelt. Je kunt bijvoorbeeld een 1 tegen 1 of een 2 tegen 1 trainen vanaf de zijlijn (tekening 2). Er is dan wel sprake van een doel en een richting. De speelrichting is echter niet zoals die in de wedstrijd gespeeld wordt. Uiteraard is het belangrijk dat de vaardigheden die bijdragen om de eerder geformuleerde speluitdaging op te lossen in de spelvorm terugkomen.

Tekening 2: Voorbeeld spelvorm

Tot slot wordt in het model een oefenvorm weergegeven (tekening 3). Deze trainingsvorm is zeer geschikt voor het aanleren en verbeteren van vaardigheden. Tijdens een oefenvorm hoeft er niet altijd sprake te zijn van balbezit, niet-balbezit, omschakelen, een doel en een richting. Wel wordt aangeraden om zoveel mogelijk keuzemomenten in te bouwen bij oefenvormen. Dit kan door de spelers te laten reageren op andere spelers, zonder daarbij weerstand te bieden. Indien een oefenvorm met keuzemoment te lastig blijkt, kan er uiteraard ook worden gekozen voor een oefenvorm zonder keuzemoment. De keuze voor welke oefenvorm je kiest, hangt sterk af van het niveau van de (spelers)groep. Het is de kunst om daar als trainer op in te spelen. Hieronder vind je twee oefenvormen als voorbeeld waarbij passeervaardigheden centraal staan. Eén vorm met en één zonder keuzemoment.

Tekening 3: Voorbeeld oefenvorm

Switchen tussen trainingsvormen
Tijdens een training kun je switchen tussen de verschillende trainingsvormen. Als je bijvoorbeeld merkt dat de vaardigheden in een wedstrijdvorm onvoldoende beheerst worden, dan kun je altijd terugvallen op een spelvorm of oefenvorm. Op het moment dat de vaardigheden weer beter beheerst worden, kun je terug gaan naar de wedstrijdvorm. Probeer daarbij altijd te redeneren vanuit de wedstrijd / het Schema Doelspel Hockey. Vandaar ook dat de wedstrijdvorm als eerste in het model staat en er wordt ‘terugwerkt’ naar een oefenvorm.

Uitgangspunten voor de trainer
In het model Training geven wordt ook gesproken over randvoorwaarden voor trainers. Deze kunnen worden toegepast op alle trainingsvormen. In deze paragraaf wordt toegelicht wat de randvoorwaarden inhouden en waarom ze van belang zijn.

– Voorkeur voor Impliciet leren (onbewust) t.a.v. Expliciet leren (bewust)
Daarnaast is het belangrijk te beseffen dat er tijdens de trainingsvormen gebruik gemaakt kan worden van bewuste en onbewuste leermethodes. Onze voorkeur gaat uit naar onbewust leren, want dit blijkt een effectiever leereffect op te leveren dan bewust leren. Het is een meer en meer gehanteerde opvatting dat bij het aanleren en verbeteren van motorische vaardigheden vaker gebruik gemaakt dient te worden van impliciet leren. Het voordeel van onbewust leren versus bewust leren is dat de spelers uit de denkstand blijven en dat, àls ze in een wedstrijd in een stresssituatie komen, niet gaan nadenken en gewoon handelen. Bij de spelvorm (tekening 2) mag de aanvaller bijvoorbeeld enkel scoren door over de lijn te drijven. Hierdoor stimuleer je onbewust dat er passeertechnieken toegepast moeten worden in plaats van een schot op doel. Bovendien levert een doelpunt over rechts meer punten op dan over links. Hierdoor stimuleer je onbewust om de aanval over de backhandkant van de verdediger te spelen. Wil je meer weten over motorische leren en onbewuste leermethodes, dan verwijzen we je graag naar het artikel ‘Motorisch leren toegepast in het hockeyspel’, waarin uitgebreid wordt ingegaan op (on)bewuste leermethodes.

Hoewel onbewust leren de voorkeur heeft, vergt het een expliciete deskundigheid van de trainer/coach om het leerproces te bevorderen. Dat kan middels observeren, analyseren en feedback geven. Bij het observeren is het de kunst waar te nemen vanuit de Kijkwijzer BB/NBB/OS (BW/BV), bij het analyseren is het de kunst om te zien wat en waarom het nu gebeurt en bij het geven van feedback is het de kunst om deze zo te geven dat de speler in de modus van leren en ontwikkelen komt. Dat is een andere didactische aanpak dan instructie geven. Maar instructie geven is soms ook noodzakelijk: het is niet of/of maar en/en, met als doel de sporter verder te brengen in zijn ontwikkelingsproces!

Keuzemomenten inbouwen
Het maken van keuzes door spelers is een essentieel onderdeel van het hockeyspel. Probeer daarom zoveel mogelijk keuzemomenten in te bouwen, ongeacht de trainingsvorm die je kiest. Spelers leren zo overzicht te houden en voortdurend keuzes te maken. Spelers zelf keuzes laten maken kun je stimuleren door vooral vragen te stellen aan je spelers: “Wat ging er goed?”, “Wat ging er minder goed?” en “Hoe zou je het anders/beter kunnen doen?” Bij de laatste vraag zou het mooi zijn als ze antwoord geven door ‘het gewoon te laten zien’. Ook de inrichting van een trainingsvorm kan het maken van keuzes stimuleren. In alle trainingsvormen die eerder in dit artikel zijn besproken, worden spelers gestimuleerd om zelf keuzes te maken. In de spelvorm bijvoorbeeld (tekening 2) kan de aanvaller over rechts en links scoren.

Vragenderwijs training geven
Wil de feedback tot een leermodus leiden, dan zijn enkele zaken belangrijk om te weten. In de eerste plaats is het niet effectief om (te) veel aanwijzingen te geven en (te) veel te praten. Een maximum van twee (2) accenten is meestal meer dan voldoende. Wees beperkt in wat je gaat zeggen: de kunst is om veel te zien, maar weinig te zeggen/te vragen. Daarnaast weten we dat het stellen van open vragen veel meer effect heeft op de speler dan het zenden van (vaak negatieve, hard geroepen en algemene) boodschappen. Door middel van vragenderwijs interventies van de trainer/coach wordt het leerproces meer bevorderd. De speler wordt aan het werk gezet en komt in beweging. Het is aan de coach om dat proces op gang te brengen en te bevorderen. Dit vereist vaak andere competenties die buiten het hockeytrainer/coach-vak liggen, zoals onder andere het stellen van open vragen (Leading with questions – M.J. Marquardt), het motiveren van zowel individuen als teams en het omgaan met boven- en onderstroom (Action Learning Academy). Maar het is zeker een uitdaging om je daarin verder te ontwikkelen.

De kunst is om inzicht te hebben in de onderdelen van een beweging en dan specifiek te zien waar het in een beweging aan schort. Om dan met éen kernachtige aanwijzing/interventie de totaalbeweging te kunnen verbeteren. De Geledingentheorie is daar een mooi model voor (zie Bronnen). Het is de deskundigheid van de trainer/coach om een specifieke beweging (bijvoorbeeld de slag) van een individuele speler te observeren en te analyseren, om dan met één kernachtige aanwijzing de slag te verbeteren.

– Spelenderwijs training geven
In het model Training geven wordt ook gesproken over ‘spelenderwijs training geven’, vooral voor de Jongste Jeugd. Spelenderwijs training geven houdt in dat de spelers het idee hebben dat ze aan het spelen zijn, terwijl er onbewust veel geleerd wordt. Vaak gaat spelenderwijs training geven gepaard met een fantasiewereld die past bij de beleving van kinderen. Zo kun je hockeyballen ook duiden als post of als diamanten die je moet verzamelen. Dit spreekt kinderen vaak meer aan dan de echte hockeytermen en is bovendien veel leuker. In tekening 4 staat een voorbeeld van een oefenvorm waarin spelenderwijs wordt geleerd. De kinderen leren, zonder dat ze het door hebben, de ruimte te herkennen en te benutten.

Tekening 4: Voorbeeld oefenvorm spelenderwijs

Spelenderwijs training geven houdt in dat de spelers het idee hebben dat ze aan het spelen zijn, terwijl er onbewust veel geleerd wordt

Verhouding Spelgericht trainen versus Technisch gericht trainen
Wij gaan ervan uit dat de ontwikkeling van technische vaardigheden een belangrijk onderdeel is binnen de jeugdopleidingen. In de visie op Spel & Spelontwikkeling is zowel ruimte voor Spelgericht trainen als voor Technisch gericht trainen. Daarin is het streven om zoveel mogelijk vanuit de context van het spel te trainen. Tegelijkertijd moeten er vaardigheden getraind worden om het spel nog beter te kunnen spelen. Dat kunnen technieken zijn uit de zes (6) techniekdomeinen, maar ook tactische vaardigheden. We spitsen ons echter toe op de technische vaardigheden vanuit twee uitgangspunten:
a) In het begin van een jeugdopleiding (F-E-D-jeugd) dient er naar verhouding meer tijd besteed te worden aan technische ontwikkeling dan bij de oudere leeftijdscategorieën (C-B-A-jeugd).
b) Indien bij welk individu/team en/of bij welke leeftijdscategorie dan ook het noodzakelijk is om technische vaardigheden te oefenen om spelers en/of teams spelcompetenter te maken, dan kan/moet hier altijd een gedeelte van de training voor gebruikt worden.

Trainer/coaches en Technisch Managers dagen we uit om deze technische vaardigheden in de opleidingen in te bouwen rondom de zes (6) techniekdomeinen. Houd daarbij rekening met het eerdergenoemde uitgangspunt dat er in de jongere jeugd meer aandacht moet zijn – maar ook nodig is – voor het aanleren en verbeteren van deze vaardigheden dan in oudere leeftijdscategorieën.

In het begin van een jeugdopleiding (F-E-D-jeugd) dient er naar verhouding meer tijd besteed te worden aan technische ontwikkeling dan bij de oudere leeftijdscategorieën (C-B-A-jeugd)

Conclusies
De waarheid is niet alleen technisch trainen of spelgericht trainen. Alles staat in relatie met elkaar. Het uitgangspunt blijft wel dat er zoveel mogelijk vanuit de context van het spel wordt getraind. Techniek is daarbij een middel om de speluitdaging op te lossen en spelcompetenter te worden. Het Schema Doelspel Hockey en het model Training geven kunnen hulpmiddelen zijn om de trainingen vorm te geven. Aangezien hockey een sport is met voornamelijk open vaardigheden, moeten spelers in staat zijn om technische vaardigheden toe te passen in steeds wisselende situaties. Dit betekent dat de ideale techniek niet bestaat. Probeer in trainingsvormen daarom keuzemomenten in te bouwen en gebruik te maken van onbewuste leermethodes. Uiteraard blijft er altijd ruimte voor expliciete leermethodes als dat nodig is. Het uiteindelijke streven is om spelers zoveel mogelijk in spelsituaties te zetten, zodat ze spelenderwijs en oplossingsgericht zelf tot (ook technische) oplossingen kunnen komen. Dat daagt uit en motiveert.

Bronnen
– Crum, B. Korfbalconcepten – De laatste ontwikkelingen van korfbal. KNKV, mei 2003.
– Crum, B. Eenvoudige korfbalvormen en helden van nu. KNKV, juli 2014.
– Davids, K., Button, C. & Bennett, S. Dynamics of Skill Acquisition; A Constraints Led Approach.
Champaign, IL: Human Kinetics, 2008.
– Hein, E. Van tactische uitdaging naar technische oplossing – Sportgericht nr. 3, 2017.
– Marquardt, M.J. Leading with questions – 2014 – ISBN 9781118830109.
– Walinga, W., Koekoek, J., Luchtenberg, S. & Rosink, D. Ontdekkend leren voetballen. …daM
uitgeverij Deventer, juni 2017 – ISBN 9789071902253 .
– Weeldenburg, G. Spelinzicht, een speler en spelgecentreerde didactiek van spelsporten. Arko
Sports Media BV, november 2015 – ISBN 9789072335623.
– Wein, H. Die Entwicklung der Spielintelligenz im Hockey mit Mini Hockey Spielen. Deutscher
Hockey Bund, Mönchengladbach 2009.
– Wein, H. Spielintelligenz im Fußball – kindgemäß trainieren. Meyer & Meyer Verlag, Aachen 2009,
ISBN 978-3898997119.

Artikelen Hockeyvisie
Papen, N. Motorisch leren, toegepast in het hockeyspel – augustus 2015.
Peeters, S. De kracht van het opleiden – april 2016.
Roemaat, M. Motiverende feedback – augustus 2015.
De Ruijter, P. Aanleren forehandslag bij de jeugd – april 2011.
De Ruijter, P. Spelgericht trainen – augustus 2015.

Site
www.actionlearningacademy.nl

  • Hockeyvisie
Bekijk alle hockey visies

Deel deze pagina